Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u de complete tekst van de verordeningen en beleidsregels van de gemeente Noordwijk. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Bekendmaking vindt plaats op overheid.nl

  

Minimabeleid en activering Participatiewet

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Noordwijk
Officiële naam regeling Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015
Citeertitel Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015
Vastgesteld door gemeenteraad
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld)
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 01-01-2015
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 18-12-2014
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling Gemeenteblad, 31-12-2014
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet, artt. 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, 8a, eerste lid onderdeel d, 31 lid 2 sub j en 36

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-01-2015 nieuwe regeling 18-12-2014
Gemeenteblad, 31-12-2014
Onbekend.
08-11-2012 01-01-2012 01-01-2015 nieuwe regeling 24-10-2012
Witte Weekblad, 7-11-2012
Onbekend.

Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, Ioaw, Ioaz ISD Bollenstreek 2015

 

De raad van de gemeente Noordwijk;

 

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek van d.d…..

 

Gelet op de Gemeenschappelijke Regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid,  8a, eerste lid  onderdeel d,

31 lid 2 sub j en 36 van de Participatiewet;

 

BESLUIT

 

vast te stellen de:

 

Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015

 

Hoofdstuk 1.  Algemene bepalingen

 

Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen

 

Artikel  1.  Begripsomschrijvingen

  1. 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.

  2. 2.In deze verordening wordt verstaan onder:

a. wet:                         de Participatiewet;  

b. het dagelijks bestuur:     het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst Bollenstreek;

c. uitkeringsgerechtigden:     personen met een uitkering ingevolge de Participatiewet, de IOAW of IOAZ, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd;

d. WTOS:     Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.    

e. WSF 2000:                    Wet Studiefinanciering 2000;

f.  persoonsondersteunend budget:     staat gelijk aan individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet;

g. referteperiode:     de onafgebroken periode van 12 maanden, voorafgaande aan de aanvraag persoonsondersteunend budget, waarin de

belanghebbende aan de voorwaarden van het recht op een persoonsondersteunend budget heeft voldaan;

h.  uitkering:     uitkering  ingevolge de werknemersverzekeringen, Wajong  of

een uitkering ingevolge de Participatiewet, IOAW of IOAZ;

i.   inspanningspremie:     financiële beloning in het kader van het minimabeleid ter  bevordering van de  arbeidsinschakeling

j    verzoekdatum:                      de datum waarop de aanvraag wordt ingediend;

k.  PW:                          Participatiewet;

l.   IOAW:     Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

m. IOAZ:               Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

 

Hoofdstuk  2.   Persoonsondersteunend budget

 

Paragraaf  1  Voorwaarden persoonsondersteunend budget

 

Artikel  2.  Voorwaarden

  1. 1.Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet en artikel 3 van deze verordening komt in aanmerking voor het persoonsondersteunend budget de belanghebbende die op de verzoekdatum en gedurende de referteperiode:

    1. a.aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm, en

    2. b.geen uitzicht heeft op inkomensverbetering en

    3. c.geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 lid  3 van de wet.

  2. 2.Geen uitzicht op inkomensverbetering heeft in ieder geval de belanghebbende die op de verzoekdatum en gedurende de referteperiode:

    1. a.op grond van zijn uitkering volledig is ontheven van de arbeidsverplichting of

    2. b.naar vermogen werkt met een uitkering met een gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichting

of

    1. c.geen uitkering heeft en naar vermogen werkt.

  1. 3.Een belanghebbende werkt naar vermogen indien hij:  

    1. a.het aantal uren werkt overeenkomstig de aan hem opgelegde arbeidsverplichting ingevolge de uitkering of

    2. b.voltijds werkt zoals gebruikelijk in de betrokken bedrijfstak dan wel

in deeltijd maar van hem niet verlangd mag worden dat hij meer uren werkt als

gevolg van zwaarwegende persoonlijke belemmeringen en omstandigheden.    

 

Artikel  3.  Geen recht

  1. 1.Geen recht op het persoonsondersteunend budget heeft de belanghebbende die gedurende de referteperiode dan wel op de verzoekdatum:

    1. a.jonger is dan 21 jaar of de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

    2. b.een opleiding of studie heeft gevolgd of volgt als bedoeld in de WTOS dan wel WSF 2000;  

  2. 2.Gehuwden hebben geen recht op een persoonsondersteunend budget als een van de beide partners niet voldoet aan de voorwaarden van het persoonsondersteunend budget.

 

Artikel  4.  Geen samenloop

Het recht op het persoonsondersteunend budget sluit het recht op een inspanningspremie, als bedoeld in hoofdstuk 3, uit.

 

Paragraaf 2   Hoogte van het persoonsondersteunend budget

 

Artikel  5.  Hoogte van het persoonsondersteunend budget

  1. 1.Het persoonsgebonden budget bedraagt:

a. voor gehuwden                                                           € 800,00 per 12 maanden;

b. voor een alleenstaande (ouder)                                  € 500,00 per 12 maanden.

  1. 2.In afwijking van het voorgaande lid bedraagt het budget voor personen die in een inrichting verblijven steeds 50% van de in het voorgaande lid genoemde budget.

  2. 3.Het dagelijks bestuur kan het in de leden 1 en 2 genoemde budget bij nadere regels herzien.

 

Hoofdstuk 3.   Inspanningspremie

 

Paragraaf 1 Bevoegdheid dagelijks bestuur en soorten premies

 

Artikel  6.   Bevoegdheid dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 31, tweede lid onder j van de wet bevoegd

aan uitkeringsgerechtigden, een activeringspremie te verstrekken tot het wettelijk vastgestelde  maximum, indien deze, naar het oordeel van het dagelijks bestuur, bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

 

Artikel  7.  Soorten premies

De premie als bedoeld in artikel 6 kan bestaan uit een inspanningspremie.

 

Paragraaf  2 Voorwaarden  inspanningspremie

 

Artikel  8.  Voorwaarden inspanningspremie

  1. 1.Onverlet het bepaalde in de wet zijn voorwaarden tot het op aanvraag toekennen van de inspanningspremie dat de uitkeringsgerechtigde:

    1. a.gedurende een aangesloten periode van 12 maanden is aangewezen op een uitkering;

    2. b.uitzicht heeft op inkomensverbetering;  

    3. c.de afgelopen 12 maanden geen verlaging op zijn uitkering heeft ontvangen die gerelateerd is aan zijn arbeidsinspanningen;

    4. d.op de aanvraagdatum ouder is dan 27 jaar.

  2. 2.Uitzicht op inkomensverbetering heeft in ieder geval de uitkeringsgerechtigde die op de aanvraagdatum en gedurende de 12 maanden daaraan voorafgaand:

    1. a.op grond van zijn uitkering een (al dan niet een gedeeltelijke) arbeidsverplichting heeft;

    2. b.naast zijn uitkering niet geheel naar vermogen werkt.

  3. 3.Een uitkeringsgerechtigde werkt niet geheel naar vermogen indien hij minder uren werkt dan de aan hem opgelegde arbeidsverplichting ingevolge de uitkering.

 

Artikel  9.   Geen samenloop

Het recht op inspanningspremie sluit het recht op het persoonsondersteunend budget, als bedoeld in hoofdstuk 2 uit.

 

Paragraaf 3   Hoogte van de premies

 

Artikel  10.  Hoogte van de inspanningspremie

  1. 1.De hoogte van de inspanningspremie bedraagt voor:

a. Gehuwden                                   € 800 per 12  maanden;

b. Alleenstaande (ouder)                 € 500 per 12  maanden.

  1. 2.Het dagelijks bestuur kan bij nadere regels de in leden 1 en 2 genoemde bedragen herzien.

 

Hoofdstuk 4.  Slotbepalingen

 

Artikel  11.  Uitvoering

Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening.

 

Artikel  12.   Hardheidsclausule

Het dagelijks bestuur kan ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

 

Artikel  13.   Situaties waarin deze verordening niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur of maakt het nadere regels.

 

Artikel  14.    Intrekken oude verordeningen

De Verordening langdurigheidstoeslag WWB ISD Bollenstreek 2012-2013 wordt ingetrokken per 1 januari 2015, alsmede de (bij de gemeenten Lisse en Noordwijkerhout aangehouden) verordening Persoonsondersteunend budget ISD bollenstreek 2014.

 

Artikel  15.   Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

  2. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014

 

De voorzitter,

De griffier,

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toelichting op de Verordening minimabeleid en activering 2015

 

Algemeen

 

In de notitie “kanteling minimabeleid” 2013, nadien uitgewerkt in de beleidsregels minimabeleid ISD Bollenstreek, is destijds een nieuw minimabeleid beschreven waarin ook vanuit het minimabeleid enerzijds klanten worden gestimuleerd om aan het werk te gaan en anderzijds klanten die dat niet kunnen (extra) financieel worden ondersteund.

Dit heeft geleid tot de (concept) verordening persoonsondersteunend budget (POB) die in 2014 in werking zou treden. Om een aantal redenen is dit niet gebeurd en is die verordening bij een aantal ISD gemeenten aangehouden en bij anderen niet behandeld.

Een daarvan was de voorziene wijziging van wetgeving, waarbij de WWB per 1 januari 2015 vervangen zal worden door de Participatiewet.

 

De Participatiewet brengt een aantal wijzigingen met zich mee. Ten opzichte van de WWB legt Participatiewet meer de nadruk op (individueel) maatwerk. Een van de gevolgen van dit uitgangspunt is dat vrijwel alle categoriale minimaregelingen worden afgeschaft en dat de langdurigheidstoeslag (de grondslag voor het POB)  vervangen wordt door de individuele inkomenstoeslag.

Door deze versobering van (onder meer) het minimabeleid hoopt de wetgever te bereiken dat klanten in de bijstand meer geprikkeld worden tot uitstroom (activering).

 

Voor bijstandsklanten met een arbeidsverplichting betekent dit dat zij er onder de Participatiewet voor wat betreft het minimabeleid er op achteruit zullen gaan daar zij niet in aanmerking zullen komen voor de individuele inkomenstoeslag. Voorwaarde daartoe is namelijk dat er geen uitzicht bestaat op inkomensverbetering. Zij hebben dat uitzicht evenwel wel, namelijk doordat zij betaald werk kunnen verrichten. Echter de realiteit is dat genoemd uitzicht nog niet betekent dat zij dat betaald werk hebben of ooit zullen verrichten. Met andere woorden: de argumenten die er zijn om bijstandsklanten zonder arbeidsverplichting in aanmerking te laten komen voor de individuele inkomenstoeslag gelden ook voor veel van de bijstandsklanten met de arbeidsverplichting. Vandaar dat er voor gekozen is

om in de voorgestelde verordening een zogenaamde inspanningspremie op te nemen, waarvan de hoogte (niet toevallig) overeenkomt met de individuele inkomenstoeslag (die ook nu weer is aangeduid met het POB). Dit is ook reden geweest om voor te stellen de bij sommige ISD gemeenten aangehouden conceptverordening POB in te trekken en te vervangen door de onderhavige verordening Minimabeleid en activering (hoofdstuk 4).

Echter, en hier komt het activerende karakter ervan om de hoek kijken zoals de wetgever deze beoogd heeft, deze premie moet wel verdiend worden. Bijstandsklanten die het afgelopen jaar een maatregel hebben ontvangen gerelateerd aan de arbeidsverplichting ontvangen deze inspanningspremie niet.

De gedachte erachter is dat de klant die niet of onvoldoende zijn best doet om uit de uitkering te geraken er feitelijk voor kiest om bijstandsafhankelijk te zijn.

Dan dient hij daarvoor ook niet “beloond” te worden door middel van het minimabeleid zoals dat voorheen wel het geval kon zijn.

 

Aldus geldt voor bijstandsklanten met een arbeidsverplichting zowel een beloningssysteem als een sanctiesysteem. Indien zij zich voldoende inspannen richting arbeidsmarkt worden zij (extra) beloond met een inspanningspremie, doen zij dat niet dan wordt een maatregel opgelegd (de bijstand wordt verlaagd) en krijgen ze geen inspanningspremie

Wij zijn van mening dat hier een sterke activerende prikkel vanuit gaat.

 

Aldus kennen wij in het activerende en financieel ondersteunend minimabeleid vanaf 1 januari 2015  de volgende voorzieningen:

a.     algemene voorzieningen (zoals de collectieve aanvullende zorgverzekering);

b.     het POB voor klanten zonder uitzicht op inkomensverbetering en

c.     de inspanningspremie voor klanten die dat uitzicht wel hebben

 

En tenslotte als sluitstuk :de individuele bijzondere bijstand.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1     Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In lid 1 wordt bij het beschrijven van de begrippen die in de verordening voorkomen zoveel als mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Participatiewet, de IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daar waar mogelijk wordt naar de betreffende artikelen in de Participatiewet verwezen.

In de verordening is in hoofdstuk 2 in plaats van de aanvraagdatum het begrip verzoekdatum opgenomen. Dit heeft te maken met het feit dat de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 Participatiewet (=POB) spreekt over “verzoek” in plaats van over “aanvraag”.

Een verzoek is vormvrij, een aanvraag moet voldoen aan de eisen van de Awb.

Door de verzoekdatum  in deze verordening gelijk te stellen aan de aanvraagdatum wordt bereikt dat verzoeken om een POB gedaan moeten worden via de  gebruikelijke  aanvraagprocedure.

 

Hoofdstuk 2     Persoonsondersteunend budget

 

Artikel 2. Voorwaarden

In artikel 2 zijn de voorwaarden voor het recht op persoonsondersteunend budget nader uitgewerkt.

Net zoals bij de langdurigheidstoeslag (oud) het geval was, is ook hier het inkomen gemaximeerd op 110% van de bijstandsnorm.

Het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering” krijgt vorm door het persoonsondersteunend budget toe te kennen aan uitkeringsgerechtigden die ontheven zijn van de arbeidsverplichting of aan hen met een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering of zij die naar vermogen werken.

De zinsnede “in ieder geval” in lid 2 en aanhef geeft de uitvoering ruimte om het bedoelde criterium ook in bijzondere situaties toe te passen. Een voorbeeld hiervan kan zijn de persoon met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Hoe bepaal je of deze persoon al dan niet uitzicht heeft op inkomensverbetering? De verordening geeft hier geen rechtstreeks antwoord op. De oplossing daarvoor zal in de praktijk gevonden moeten worden; eventueel aan de hand van een werkinstructie en of uitvoerende beleidsregels.

Het “naar vermogen werken” is uitgewerkt in lid 3. Het hebben van kinderen is in principe geen zwaarwegende omstandigheid of belemmering om meer uren te gaan werken. Er zijn immers in de regel) kinderopvangmogelijkheden. Dit ligt mogelijk anders indien er sprake is van een gehandicapt kind dat thuis verzorging behoeft. Dit zal maatwerk zijn.

Op deze wijze wordt recht gedaan aan artikel 36 van de wet waarbij bij het toekennen van de individuele inkomenstoeslag (= het POB) rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van de persoon (nader uitgewerkt in artikel 36 lid 2 van de wet).

 

Artikel 3. Geen recht

In lid 1, onderdelen a en b, is in overeenstemming met de wet en voor de duidelijkheid opgenomen dat bedoelde groepen geen recht hebben op POB.

Meer in het algemeen is het zo dat als men geen recht heeft op bijstand  (bijvoorbeeld gedetineerden), of daarvan is uitgesloten (bijvoorbeeld  personen die uit ’s rijkskas bekostigd onderwijs hadden kunnen volgen), men ook geen recht heeft op de individuele inkomenstoeslag / POB.  

Bij gehuwden geldt dat beide echtelieden moeten voldoen aan de voorwaarden op een persoons-ondersteunend budget. Het is dan ook niet mogelijk dat gehuwden zowel recht hebben op een persoonsondersteunend budget (geen uitzicht op inkomensverbetering) als op een inspannings-premie (wel uitzicht op inkomensverbetering).

 

Artikel 4. Geen samenloop

Hoewel een en ander al uit de systematiek van de verordening voortvloeit, is hier voor de duidelijkheid opgenomen dat wanneer men recht heeft op het POB (geen uitzicht op inkomensverbetering) men  geen recht kan hebben op een inspanningspremie (wel uitzicht op inkomensverbetering).

 

Artikel 5. Hoogte van het persoonsondersteunend budget

De hoogte van het persoonsondersteunend budget is afhankelijk van de gezinssituatie: is sprake van een alleenstaande of is er sprake van gehuwden ( gezamenlijke huishouding).

De toeslag voor een alleenstaande is gelijk aan die van een alleenstaande ouder. Voor het persoonsondersteunend budget is het niet relevant of tot het huishouden kinderen behoren.

Indien tot het huishouden wel kinderen behoren, gelden de zogenaamde kindregelingen.

Voor belanghebbenden in een inrichting/instelling geldt een lager budget daar zij lagere bestaanskosten hebben.

 

Hoofdstuk 3     Inspanningspremie

 

Artikel 6. Bevoegdheid dagelijks bestuur

In de Participatiewet is geregeld dat een premie tot een aangegeven bedrag jaarlijks kan worden vrijgelaten voor zover dit naar het oordeel van het college (lees: dagelijks bestuur) bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

 

Van deze bepaling is gebruik gemaakt om in het minimabeleid te bepalen dat klanten die uitzicht hebben op inkomensverbetering (en derhalve de arbeidsverplichting  hebben) geen recht hebben op een persoonsondersteunend budget maar onder voorwaarden wel op een inspanningspremie.

De inspanningspremie heeft daarnaast het effect dat het de klant aanspoort om op zoek te gaan naar reguliere arbeid en aldus bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

 

Artikel 7. Soorten premies

De premie bestaat uit een inspanningspremie. De hoogte van de premie  is aangegeven in artikel 10.

Om in aanmerking te kunnen komen, moet de uitkeringsgerechtigde in ieder geval gedurende een aangesloten periode van 12 maanden uitkering ontvangen dan wel hebben ontvangen.

 

Artikel 8. Voorwaarde inspanningspremie

De inspanningspremie is bestemd voor de uitkeringsgerechtigde jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die zich in een periode van 12 maanden heeft ingespannen om werk te vinden.

Om vast te stellen dat hij zich heeft ingespannen geldt dat hij in de die 12 maanden geen verlaging heeft ontvangen op grond van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015 (of Maatregelenverordeningen –oud) die gerelateerd is aan zijn arbeidsverplichting.

Heeft de uitkeringsgerechtigde met een arbeidsverplichting in het afgelopen 12 maanden geen verlaging opgelegd gekregen gerelateerd aan zijn arbeidsinspanningen, dan bestaat er recht op inspanningspremie. Indien hij wel een zodanige verlaging heeft opgelegd gekregen, dan is er geen recht. Gelet op het bepaalde in artikel 31 lid 7 van de wet bestaat er geen inspanningspremie voor jongeren tot 27 jaar. De bepaling die de vrijlating regelt van bedoelde premie is immers op hen niet

van toepassing.

Dit alles brengt tevens met zich mee dat het dagelijks bestuur in het kader van zijn handhavingsbeleid er op moet toezien dat klanten met de arbeidsverplichting zich daadwerkelijk inspannen richting de arbeidsmarkt. Het minimabeleid en de handhaving zijn daarmee ondersteunend aan de re-integratie.

 

Lid 2 geeft een nadere uitwerking van het criterium uitzicht op inkomensverbetering.

En komt daarmee (grotendeels en in spiegelbeeld) overeen met artikel 2 lid 2, zij het dat het alleen betrekking heeft op uitkeringsgerechtigden.

 

Lid 3 doet hetzelfde ten aanzien van het niet naar vermogen werken (vgl. artikel 2 lid 3).

 

Artikel 9. Geen samenloop

Hoewel een en ander al uit de systematiek van de verordening voortvloeit, is voor de duidelijkheid opgenomen dat wanneer men recht heeft op de inspanningspremie (uitzicht op inkomensverbetering) men géén recht kan hebben op het POB (geen uitzicht op inkomensverbetering).

 

Artikel 10. Hoogte van de inspanningspremie

De hoogte van de inspanningspremie komt overeen met de hoogte van het POB en is dus ook afhankelijk van de gezinssituatie. Voor de hoogte van de inspanningspremie is het niet relevant of tot het huishouden kinderen behoren. Indien tot het huishouden  kinderen behoren, gelden de zogenaamde kindregelingen.

 

Hoofdstuk 4     Slotbepalingen

 

Artikel 11 Uitvoering

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 12. Hardheidsclausule

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 13 Situaties waarin deze verordening niet voorziet

Het betreft hier een delegatiebepaling aan het dagelijks bestuur in gevallen waarin de verordening

niet voorziet. Het spreekt dat het dagelijks bestuur daarbij de kaders van de wet en deze verordening in acht moet nemen.

 

Artikel 14.  Intrekken oude verordeningen

De gemeenteraden Lisse en Noordwijkerhout hebben destijds de oude verordening POB vastgesteld en vervolgens op verzoek van de ISD Bollenstreek deze aangehouden.

 

Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.