Gegevens van de regeling
| Type overheidsorganisatie | gemeente |
|---|---|
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Officiële naam van de regeling | Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008 |
| Citeertitel van de regeling | Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008 |
| Onderwerp | Algemeen |
| Gedelegeerde regelgeving | Geen. |
| Opmerkingen m.b.t. de regeling | Geen. |
| Betreft (aard van de wijziging) | nieuwe regeling |
| Datum intrekking van (een versie van) de regeling | |
| Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling | 29-12-2008 |
| Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling | |
| Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling | 26-11-2008 |
| Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling | Zeekant 24-12-2008 |
| Kenmerk voorstel | Onbekend. |
Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Ontstaansbron: datum ondertekening; bron bekendmaking |
Inwerkingtreding: datum ondertekening; bron bekendmaking |
|---|---|---|---|---|
| 29-12-2008 | nieuwe regeling | 26-11-2008 Zeekant 24-12-2008 |
26-11-2008 Zeekant 24-12-2008 |
Â
Agendapunt: 8 (i)Â
Â
Â
RaadsvoordrachtÂ
Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008.Â
Â
Â
   Â
Â
Aan de gemeenteraad,Â
Op grond van het hiernavolgende stellen wij u voor het volgende besluit te nemen:Â
Â
Â
De gemeenteraad van Noordwijk,Â
Â
Â
Gezien de voordracht van burgemeester en wethouder van 23 september 2008, voorstelnr. 103;Â
Â
Gelezen het advies van de commissie Ruimte en Bereikbaarheid d.d. 13 november 2008.Â
Â
Gelet op artikel 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3. van het Besluit ruimtelijke ordening;Â
Â
Besluit:Â
Â
vast te stellen de volgende “Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008â€?.                       Â
Â
Â
Artikel 1.    begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:Â
aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1. Wet ruimtelijke ordening indient;Â
adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen (rechts)persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1., onder c, Besluit ruimtelijke ordening;Â
adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van deze verordening;Â
besluit: Besluit ruimtelijke ordening;Â
college: het college van burgemeester en wethouders;Â
gemeente: de gemeente Noordwijk;Â
planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1., tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;Â
planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;Â
wet: Wet ruimtelijke ordening.Â
Â
Â
Artikel 2.    opdrachtverstrekking
Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1. van het besluit verstrekt het college aan één of meer adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1. van het  besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Artikel 3.    adviseur of adviescommissie
Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college één of -afhankelijk van de complexiteit, aard en omvang- meerdere adviseurs aangewezen die beschikken over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade;Â
bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie; de voorzitter wordt door het college aangewezen; Â
de adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.Â
Â
Â
Artikel 4Â Â Â Â deskundigheid en onafhankelijkheid
Voordat een adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de beoordeling van planschade;Â
een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. Â
Â
Â
Artikel 5Â Â Â Â betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie
voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel; 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van één of meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, eerste lid;Â
de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen;Â
het college beslist binnen vier weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.Â
Â
Â
Artikel 6Â Â Â Â werkwijze adviseur of adviescommissie
het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking;Â
de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en één of meerdere ambtelijke vertegenwoordiger(s) van de gemeente in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken;Â
de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit;Â
ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt;Â
van de in het tweede lid bedoelde hoorzitting en van de in het derde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies;Â
alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met het hoogste vier weken verlengen;Â
de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren;Â
in het geval reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken;Â
in het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.Â
Â
Â
Artikel 7Â Â Â Â slotbepalingen
deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar afkondiging;Â
deze verordening wordt aangehaald als “Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008â€?.Â
Â
Â
Aldus vastgesteld in de openbare Raadsvergadering van 26 november 2008 Â
Â
Â
Â
Â
                            H.C.A. Kolen          H.H.M. Groen
                            griffier                voorzitter   Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Toelichting procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008. Â
Â
Algemene toelichting Â
Â
Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden onder gelijktijdige intrekking van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) uit 1965. Hiermee is ook een einde gekomen aan het oude vertrouwde artikel 49 WRO (planschade). In de Wro is het fenomeen planschade wel teruggekomen, namelijk in de artikelen 6.1 e.v. Ook zijn er enkele wijzigingen ten opzichte van de oude wet van kracht geworden. Voor een kort actueel overzicht van de thans van kracht zijnde planschadebepalingen wordt verwezen naar de bijlage behorende bij deze toelichting.Â
Â
Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de vorm van Â
inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal Â
lijden als gevolg van een planologische maatregel, op aanvraag een tegemoetkoming in Â
planschade worden toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de Â
aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende Â
anderszins verzekerd is. Â
Â
Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het tijdstip Â
waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en vijfde lid, Wro), is Â
uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Â
Wro) en wordt ingegaan op zaken die het bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het Â
aanvragen om een tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro). Â
Â
Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming, die op grond van Â
artikel 6.7 Wro in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot een uniformering en Â
standaardisering van regels omtrent de inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van Â
een aanvraag om tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) Â
en het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (BRO 1985) bestond de noodzaak dat iedere Â
gemeente een regeling voor de behandeling van de planschadeverzoeken moest opstellen. De Â
regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro. Â
Â
In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het indienen van een Â
aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de regels voor het aanwijzen van een Â
adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het college een adviseur aan te wijzen die Â
advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro Â
wordt voorgeschreven dat de gemeente(raad) een verordening moet vaststellen over de wijze waarop Â
een adviseur wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies komt. In artikel 6.1.3.3, Â
tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in ieder geval betrekking moet hebben op: Â
Â
a. de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur; Â
b. de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld; Â
c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld; Â
d. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de Â
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro vooraf in Â
de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze aanwijzing kunnen Â
wraken; Â
e. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de Â
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder Â
verslaglegging, worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken, en Â
de hierbij geldende termijnen. Â
Â
Â
De Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008 in Â
verhouding tot de Procedureregeling planschadevergoeding 2005 Â
Met de inwerkingtreding van de “Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008â€? kan de oude door het college op 26 oktober 2005 vastgestelde “Procedureregeling planschadevergoeding 2005â€? nog niet in zijn geheel worden ingetrokken. De “Procedureregeling planschadevergoeding 2005â€? is nog van toepassing op de volgende situaties: Â
Â
- op een aanvraag ingediend vóór 1 september 2005 in het geval dat de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing;Â
Â
- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in het geval Â
de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar geen verjaringstermijn van toepassing); Â
Â
- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in het geval Â
de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na 1 september 2005 en Â
vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is de WRO van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn); Â
Â
- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval Â
de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar geen verjaringstermijn van toepassing). Â
Â
De “Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008â€? is van toepassing in de volgende situaties:Â
Â
- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval Â
de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na 1 september 2005 maar Â
vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is de Wro van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn, maar er is geen sprake van het forfait normaal maatschappelijk risico); Â
Â
- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval de planologische maatregel van kracht is geworden op of na 1 juli 2008, is de Wro onverkort van toepassing;Â
Â
- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2010 is de Wro in alle gevallen onverkort van toepassing.Â
Â
Artikelsgewijze toelichting Â
Â
Artikel 1. Begripsbepalingen Â
Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wro en het Bro en Â
voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling gegeven. Voor een juiste interpretatie Â
van de verordening is naast raadpleging van artikel 1 kennisneming van de algemene bepalingen Â
in artikel 6.1.1.1 Bro van belang. Ten behoeve van de duidelijkheid van de begrippen adviseur en Â
adviescommissie is in deze verordening een van het Bro afwijkende omschrijving van het begrip Â
adviseur opgenomen. Het begrip gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat Â
indien de verordening het woord gemeente gebruikt, het de gemeente betreft waar de aanvraag Â
om tegemoetkoming in planschade is ingediend. Â
Â
Â
Artikel 2. Opdrachtverstrekking Â
Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of meerdere adviseurs Â
gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Â
Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een Â
aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de Â
aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro heeft Â
betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige Â
aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro Â
moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de Â
aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is Â
gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na het tijdstip waarop de Â
termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling Â
van de aanvraag bekend te maken. De laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier Â
weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten Â
behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in Â
artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin één of meerdere Â
adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. Â
De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er Â
geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een Â
ingediend verzoek tot wraking (noot: een deskundige wraken wil zeggen: hem/haar als ongeschikt beschouwen om over een zaak te oordelen). Â
Â
Â
Artikel 3. Adviseur of adviescommissie Â
Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering over de op de Â
aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke gevallen een adviseur of een Â
adviescommissie dient te worden ingeschakeld, die over voldoende deskundigheid beschikt voor de beoordeling van een aanvrage om planschade. Â
Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een Â
natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van Â
Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau gespecialiseerd in planschade Â
kan derhalve worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de Â
adviseurs in een adviescommissie. Â
Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat Â
de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen. Â
Het college kan van oordeel zijn -afhankelijk van de complexiteit en aard en omvang van de aanvraag- dat behoefte is aan meerdere adviseurs, die beschikken over specifieke deskundigheid. Het college zal een tweede of derde adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, tweede lid). De adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken. Â
Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan Â
laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het college Â
vereist. Â
Â
Â
Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid Â
Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels moet bevatten over Â
de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om de deskundigheid van de Â
adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de beoordeling van planschadeverzoeken. Â
In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Â
Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van Â
het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die Â
adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Â
Â
Â
Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of Â
adviescommissie. Â
Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere Â
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro schriftelijk op de Â
hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. De Â
aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere Â
adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend Â
gemaakt. Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere Â
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro zich niet kunnen Â
verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid om één of Â
meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere betrokken Â
bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van Â
de Wro kunnen één of meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of Â
omstandigheden waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen Â
lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een verzoek Â
tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te maken. Het college moet Â
binnen vier weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking Â
beslissen. Â
Â
Â
Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie Â
Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen Â
en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder Â
verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens Â
worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd. Â
In het eerste lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan de Â
adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de Â
aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle Â
bescheiden die naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de Â
beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Â
Het tweede, derde en vierde lid bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de Â
bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Â
Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel Â
6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de Â
aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. Â
Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan de Â
gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden Â
als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn Â
kan met ten hoogste vier weken worden verlengd (zesde lid). Â
Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan Â
de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere Â
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij de opstelling van Â
het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting bij het Bro noemt als voorbeeld dat Â
de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept Â
advies te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader Â
bepaalt het zevende lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en Â
andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro in de Â
gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te reageren. Â
Het achtste en het negende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het advies aan het Â
college. Â
Â
Â
Artikel 7. Slotbepalingen Â
Â
In dit artikel is de inwerkingtreding en naam van de verordening opgenomen. Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Â
Bijlage behorende bij de toelichting procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Noordwijk 2008.Â
Â
De panschaderegels per 1 juli 2008 in een note dop (aan deze bijlage kunnen geen rechten worden verbonden).Â
Â
Â
Â
Planschadekosten en hogere kosten:Â
Â
Planschade:Â
Het komt regelmatig voor dat een bestemmingsplan of een ander plan of besluit uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) schade veroorzaakt. Bijvoorbeeld omdat bouwmogelijkheden zijn vervallen of omdat men wordt geconfronteerd met nieuwe bebouwing waardoor aantrekkelijk uitzicht verloren gaat en de waarde van een woning daalt. Evenals de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kent de Wro een planschaderegeling (Afdeling 6.1). De nieuwe regeling wijkt wel af van die van de oude wet, omdat wordt uitgegaan van een tegemoetkoming in de kosten en niet meer van een volledige vergoeding van de schade.Â
De planschaderegeling van de Wro heeft betrekking op schade in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak. Burgemeester en wethouders beslissen over vergoeding van planschade.Â
Â
Besluiten die voor een tegemoetkoming van schade in aanmerking komen:Â
Onder  de planschaderegeling valt de schade die is veroorzaakt door de volgende plannen of besluiten:
-Â Â Â Â bestemmingsplan, inpassingsplan (provinciaal/rijks bestemmingsplan) of beheersverordening;
-Â Â Â Â planwijziging, planuitwerking, nadere eis of ontheffing op grond van een bestemmingsplan of beheersverordening;
-Â Â Â Â projectbesluit (van gemeente, provincie of Rijk) of buiten toepassingverklaring van een beheersverordening;
-Â Â Â Â tijdelijke ontheffing van een bestemmingsplan of inpassingsplan;
-Â Â Â Â ontheffing voor ondergeschikte afwijkingen van een bestemmingsplan of inpassingsplan;
-Â Â Â Â aanhouding van een bouw-, aanleg- of sloopvergunning;
-Â Â Â Â algemene maatregel van bestuur (amvb) of provinciale verordening, voor zover deze een weigeringsgrond bevat voor een bouw-, aanleg- of sloopvergunning.
Â
Beperkende factoren:Â
Niet alle schade (in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van onroerende zaken) komt voorÂ
een tegemoetkoming in aanmerking. Beperkende factoren zijn de volgende:Â
-    geen tegemoetkoming als de schade niet rechtstreeks voortvloeit uit één van de hiervoor genoemde plannen of besluiten;
-Â Â Â Â normaal maatschappelijk risico moet worden geaccepteerd; alleen tegemoetkoming voor zover dit redelijk is;
-Â Â Â Â voor rekening van de aanvraag blijft in ieder geval de schade die onder de in de Wro opgenomen forfaitregeling valt;
-Â Â Â Â geen tegemoetkoming als het schadeveroorzakend besluit was te voorzien;
-Â Â Â Â geen of lagere tegemoetkoming als de aanvrager mogelijkheden om de schade te beperken niet heeft benut;
-Â Â Â Â geen tegemoetkoming als de schade reeds anderszins wordt vergoed, bij voorbeeld in het kader van onteigening of een nadeelcompensatieregeling.
Â
Forfaitregeling:Â
Op grond van deze regeling blijven buiten beschouwing:Â
-Â Â Â Â indien sprake is van inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;
-Â Â Â Â indien sprake is van vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.
Â
Laatstbedoelde forfaitregeling wordt niet toegepast, wanneer de waardevermindering een gevolg is van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond. De forfaitregeling wordt evenmin toegepast, wanneer de waardevermindering een gevolg is van de regels van een bestemmingsplan of inpassingsplan, voor zover deze op de onroerende zaak betrekking hebben.Â
Â
Voorzienbaarheid van schade:Â
Met betrekking tot de voorzienbaarheid van het schadeveroorzakende plan of besluit wordt –op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State- een onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve risicoaanvaarding. Actieve risicoaanvaarding is aan de orde wanneer men wist of had kunnen weten dat er een ongunstig plan of besluit in aantocht was en men zich daarvan niets heeft aangetrokken, Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat men bij de aanloop van een woning ontwikkelingen had kunnen voorzien die het woongenot aantasten.Â
Passieve risicoaanvaarding  doet zich voor wanneer men geen concrete plannen heeft ontwikkeld en de betrokken (bouw)mogelijkheden in een nieuw plan of besluit zijn komen te vervallen.
Â
De vereisten voor het indienen van een verzoek:Â
Een verzoek om tegemoetkoming in de planschadekosten kan alleen worden ingediend als aan een aantal formele vereisten is voldaan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)  zijn regels opgenomen over de wijze waarop met zo’n verzoek moet worden omgegaan. De formele vereisten zijn:
-Â Â Â Â een aanvraag om tegemoetkoming kan pas worden ingediend, wanneer het betrokken plan of besluit onherroepelijk (rechtens onaantastbaar) is geworden. Dat geldt dus ook voor planwijziging, planuitwerking, nadere eis of ontheffing (voorheen vrijstelling) op grond van een bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening;
-Â Â Â Â de aanvraag moet binnen een termijn van vijf jaar na het onherroepelijk worden van het plan of besluit worden ingediend;
-Â Â Â Â de aanvraag moet goed zijn gemotiveerd met een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde vergoeding;
-    een verzoek om tegemoetkoming kan pas in behandeling worden genomen als eerst een bedrag ad € 300,-- is betaald. De gemeenteraad kan in een verordening bepalen dat dit bedrag met ten hoogste twee derde kan worden verhoogd of verlaagd. De gemeenteraad heeft van deze laatste bevoegdheid geen gebruik gemaakt, zodat het wettelijke griffierecht van toepassing is. In geval van niet tijdige betaling van het verschuldigde bedrag wordt de aanvraag niet in behandeling genomen oftewel niet-ontvankelijk verklaard. Indien een aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, ontvangt de aanvrager het door hem betaalde bedrag terug;
-Â Â Â Â burgemeester en wethouders beslissen over een verzoek tot tegemoetkoming van planschade. Wanneer het om provinciale staten of de minister vastgesteld inpassingsplan of projectbesluit gaat, vormen zij het bevoegde gezag, ook wat planschadeovereenkomsten betreft. Een verzoek om planschadevergoeding moet echter in alle gevallen bij burgemeester en wethouders worden ingediend.
Â
Planschadeovereenkomsten:Â
De Wro maakt het mogelijk dat er over de vergoeding van planschadekosten privaatrechtelijke afspraken worden gemaakt. Voorwaarde is dat de planschadekosten voortvloeien uit een besluit van burgemeester en wethouders om in een bestemmingsplan of projectbesluit rekening te houden met de realisering van een project op verzoek van de betrokken ontwikkelaar of initiatiefnemer. Er kan dan worden overeengekomen dat eventuele planschade geheel of gedeeltelijk voor rekening van de ontwikkelaar of initiatiefnemer komt. In een procedure over de tegemoetkoming in de kosten is de ontwikkelaar of initiatiefnemer een belanghebbende en kan derhalve bezwaar en beroep aantekenen tegen het besluit van burgemeester en wethouders op een planschadevergoedingsverzoek.Â
Â
Vergoeding van hogere kosten:Â
Van kosten die voortvloeien uit in een bestemmingsplan, inpassingsplan of projectbesluit opgenomen regelingen kunnen gemeenten in bepaalde gevallen een vergoeding krijgen van provincie of Rijk. Daarnaast kunnen gemeenten in bepaalde gevallen van provincie en Rijk een vergoeding krijgen van kosten die voortvloeien uit een tijdelijke ontheffing van een bestemmingsplan of inpassingsplan of uit een aanhouding van een bouw-, of aanlegvergunning. Om voor deze kostenvergoedingen in aanmerking te komen moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:Â
-Â Â Â Â de regelingen of maatregelen moeten zijn getroffen (mede) ter behartiging van een provinciaal of nationaal belang;
-Â Â Â Â het moet om kosten gaan die niet zouden zijn gemaakt als deze regelingen of maatregelen niet waren getroffen;
-Â Â Â Â de kostenvergoeding mag niet anders zijn verzekerd en mag niet op grond van een wettelijk voorschrift zijn uitgesloten;
-Â Â Â Â over de verdeling van de kosten is niet eerder overeenstemming bereikt.
Â
Â
                                   Â
Â