Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u de complete tekst van de verordeningen en beleidsregels van de gemeente Noordwijk. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Bekendmaking vindt plaats op overheid.nl

  

Reintegratieverordening WWB

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Noordwijk
Officiële naam regeling Reintegratieverordening WWB ISD Bollenstreek 2008
Citeertitel Reintegratieverordening WWB ISD Bollenstreek 2008
Vastgesteld door gemeenteraad
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) 01-01-2010
Onderwerp financiën en economie
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 17-07-2008
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 26-06-2008
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling De Zeekant, 16-07-2008
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. WWB, art. 7, lid 1
  2. WWB, art. 7, lid 2
  3. WWB, art. 10, lid 2
  4. WWB, art. 9
  5. WWB, art. 31, lid 2
  6. AWB, art. 4:2, lid 3
  7. AWB, art. 4:27 lid 1
  8. AWB, art. 4:29
  9. Invoeringswet WWB, art. 15

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
17-07-2008 01-01-2010 nieuwe regeling 26-06-2008
De Zeekant, 16-07-2008
Onbekend.

 

Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand ISD Bollenstreek 2008                               

 

De raad van de gemeente  Noordwijk;

 

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst d.d.  18 maart 2008

 

Gelet op de Gemeenschappelijke Regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout, Teylingen en Noordwijk, de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers(Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers (Ioaz) 

 

Overwegende dat op grond van artikel 8, eerste lid, onder a WWB, artikel 35 Ioaw en artikel 35 Ioaz 

de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het ex artikel 7 WWB, artikel 34 Ioaw en artikel 34 Ioaz bieden van ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. 

 

BESLUIT 

 

Vast te stellen de hierna volgende Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand 2008 

 

 

Paragraaf 1        Algemene bepalingen

Artikel 1   begripsomschrijvingen

  1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  2. Deze verordening verstaat onder 

    1. De wet: de Wet Werk en Bijstand (staatsblad 203, nummer 375); 

    2. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    3. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    4. Uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand, de Ioaw of de Ioaz;

    5. Anw-ers: personen met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI);

    6. Niet-uitkeringsgerechtigde (Nugger): een persoon als bedoeld in artikel 6 onder a. van de wet; 

    7. Het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout, Teylingen en Noordwijk (ISD);

    8. Traject: een met een persoon, zoals bedoeld in  artikel 2 lid 1 van deze verordening,overeengekomen, dan wel door het dagelijks bestuur aan hem opgelegd geheel van activiteiten gericht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of als dit vooralsnog niet mogelijk is, het verhogen van de maatschappelijke participatie.  

    9. Voorziening: een instrument binnen een traject die het dagelijks bestuur ter beschikking  heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet.

    10. De raden: de gemeenteraden van de vijf ISD gemeenten; 

 

 

Paragraaf 2        Doelgroep en de aanspraak

Artikel 2   de doelgroep

  1. De doelgroep van deze verordening zijn de personen woonachtig in de gemeenten Hillegom,Lisse, Noordwijkerhout, Teylingen en Noordwijk,  jonger dan 65 jaar;

    1. bedoeld  in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet, of

    2. bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, of 

    3. die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaw of de Ioaz. 

  2. Niet tot de doelgroep behoort: 

    1. de persoon die geen uitkeringsgerechtigde is en onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en

    2. de persoon die een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a  van de Algemene Kinderbijslagwet.

Artikel 3          aanspraak op ondersteuning

  1. Personen behorende tot de doelgroep kunnen aanspraak maken op arbeidsondersteuning bij arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de naar oordeel van het dagelijks bestuur beste weg naar duurzame arbeid of als dat doel niet bereikbaar is, bij zelfstandige maatschappelijke participatie.  

  2. Het dagelijks bestuur doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening, het in artikel 8  genoemde reïntegratieplan en overige beleidsregels.

Artikel 4   nuggers en Anw-ers

  1. Nuggers van 23 jaar en ouder en Anw-ers van 23 jaar en ouder kunnen aanspraak maken• op arbeidsondersteuning bij arbeidsinschakeling ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het dagelijks bestuur, beste weg naar duurzame arbeid.  

  2. Er bestaat geen recht op ondersteuning indien het netto-inkomen van het gezin hoger is• dan 130% van het wettelijke minimumloon. 

  3. Het dagelijks bestuur kan van de in lid 1 bedoelde personen een bijdrage in de kosten van de voorziening, als bedoeld in artikel 11 verlangen.

  4. Het dagelijks bestuur kan in uitvoeringsbesluiten nadere regels stellen over de• aanspraken en de voorzieningen die beschikbaar zijn voor personen behorende tot de• groepen bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 5    beperkingen

Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar mening van het dagelijks bestuur in voldoende mate bijdraagt aan de reïntegratie van de aanvrager. 

Artikel 6    criteria ontheffing arbeidsplicht

  1. Het dagelijks bestuur kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid, van de wet,  onderscheidelijk artikel 37a van de Ioaw en de Ioaz bepalen dat aan de belanghebbende geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 9 van deze verordening genoemde verplichtingen, op basis van in beleidsvoorstellen vast te leggen criteria, onder meer:

    1. indien de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg en voorziening als bedoeld in artikel 11 van deze verordening niet mogelijk is voor alleenstaande ouders;

    2. indien belanghebbende om psychische dan wel medische redenen niet in staat is om te werken;

  2. Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts voor een door het dagelijks bestuur vast te•leggen periode verleend; 

  3. Op basis van een herbeoordeling kan het dagelijks bestuur besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.

 

Paragraaf 3        Beleid en financiën

Artikel 7        opdracht dagelijks bestuur

  1. Het dagelijks bestuur biedt aan personen behorende tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling gericht op de beste weg naar duurzame arbeid en indien dit vooralsnog niet mogelijk is, zelfstandige maatschappelijke participatie.

  2. Het dagelijks bestuur stelt vast welke voorziening voor personen uit de doelgroep het meest geschikt is om het beoogde doel te bereiken.

  3. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het dagelijks bestuur een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. Daarbij houdt het dagelijks bestuur rekening met de zorgtaken van alleenstaande ouders voor hun kinderen. Hiernaast speelt de situatie op de arbeidsmarkt een rol. Het dagelijks bestuur draagt voorts zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.

  4. Het dagelijks bestuur kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen

  5. Het dagelijks bestuur bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de opvang van•kinderen jonger dan 12 jaar, voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of•voor deelname aan een voorziening, of voor het  bereiken van het doel van een traject of een voorziening. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het initiatief voor het regelen van kinderopvang• bij de belanghebbenden zelf ligt.

  6. Het dagelijks bestuur bevordert de beschikbaarheid van flankerende voorzieningen die•belemmeringen voor toetreding tot de arbeidsmarkt kunnen opheffen.

  7. De voorzieningen die de ISD in het kader van ondersteuning bij arbeidsinschakeling voor een•persoon uit de doelgroep inzet, worden vastgelegd in een trajectplan en/of beschikking.

 

Artikel 8        reïntegratieplan

  1. Ter uitvoering van de in artikel 7 van deze verordening neergelegde zorgplicht stellen de raden om de drie jaar een reïntegratieplan vast, waarin op basis van het beschikbare budget wordt aangegeven op welke wijze het komende jaar wordt voorzien in de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en welke voorzieningen in welke mate in het kader van arbeidsinschakeling zullen worden ingezet ten behoeve van de verschillende groepen uit de doelgroep.

  2. Dit plan omvat in elk geval: 

    1. een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende groepen uit de doelgroep en de prioritering  binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen;

    2. een omschrijving van het inkoopbeleid; 

    3. het beschikbare budget; 

  3. Jaarlijks doet het dagelijks bestuur verslag aan de raden over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. Dit verslag kan onderdeel•uitmaken van het programmaverslag van de ISD als bedoeld in artikel 24 van de gemeenschappelijke regeling ISD.

Artikel 9        verplichtingen  

  1. De persoon uit de doelgroep is verplicht naar vermogen, algemeen geaccepteerde arbeid te•verkrijgen en deze te  aanvaarden.

  2. Een persoon uit de doelgroep aan wie een voorziening, zoals bedoeld in artikel 11 van deze•verordening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken, en wel op een zodanige wijze dat uitstroom naar betaalde arbeid onverkort kan plaatsvinden.

  3. Onverminderd de verplichtingen die gelden op grond van de wet of van andere wetten geldt voor een persoon die deelneemt aan of deelgenomen heeft aan een voorziening de verplichting:

    1. alle inlichtingen te verstrekken aan het dagelijks bestuur over de passendheid en de voortgang•van het traject en/of voorziening en wijzigingen in de persoonlijke situatie die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op ondersteuning en de noodzaak van•voortzetting van een traject en/of voorziening daaronder in ieder geval begrepen wijzigingen in •woonplaats, wijzigingen met betrekking tot gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen met betrekking tot werkzaamheden of inkomsten;

    2. zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de inhoud, passendheid, voortgang en•uitvoering van het traject en/of de voorziening; 

    3. naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan de verschillende onderdelen van•het traject; 

    4. na te laten alles dat de realisatie van het doel van het traject of van de voorzieningen belemmert. 

Artikel 10  budget- en subsidieplafonds

  1. Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of budgetplafonds• vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het dagelijks bestuur ingesteld•subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.

  2. Het dagelijks bestuur kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

 

Paragraaf 4        Voorzieningen

 

Artikel 11        algemene bepalingen over voorzieningen

  1. Het dagelijks bestuur stelt voorzieningen beschikbaar, die een traject ondersteunen. 

  2. Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van arbeidsinschakeling van personen uit de doelgroep, onder andere door het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie en/of het• bevorderen van sociale en zelfredzaamheid.

  3. Het dagelijks bestuur kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden.

  4. Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen: 

    1. indien de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in artikel 9 van de wet niet nakomt;

    2. indien de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet; 

    3. indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;

    4. indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    5. indien het dagelijks bestuur een andere voorziening aanbiedt; 

    6. indien een persoon die deelneemt aan een voorziening, inkomsten heeft die naar het oordeel van dagelijks bestuur betekenen dat hij in staat is zonder voorziening een plaats te vinden of te behouden op de arbeidsmarkt.

  5. Beëindiging van de voorziening kan tevens inhouden: het opzeggen van de dienstbetrekking,  of het beëindigen van de subsidie, bedoeld in artikel 12.

  6. Wanneer een voorziening is beëindigd en niet het beoogde doel heeft gehad, kan het dagelijks• bestuur besluiten enige tijd geen nieuwe voorziening aan te bieden aan belanghebbende.

  7. Bij uitvoeringsbesluit kan het dagelijks bestuur ten aanzien van de voorzieningen, met•inachtneming van hetgeen daarover in het reïntegratieplan is bepaald, nadere regels stellen.

 

Artikel 12    loonkostensubsidie

  1. Het dagelijks bestuur kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een persoon bedoeld inartikel 1 lid d, e en f een arbeidsovereenkomst sluiten. 

  2. De loonkostensubsidie wordt alleen verstrekt: 

    1. voor zover de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk van kracht is;  

    2. naar rato van een voltijds dienstverband  

    3. indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen• verdringing plaatsvindt en

    4. conform de voorwaarden genoemd in de beleidsaanbeveling inzake werkgelegenheidssteun, zoals op genomen in de bijlage bij deze verordening.

  3. Het dagelijks bestuur kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels stellen. 

Artikel 13          de aanvraag

  1. De loonkostensubsidie dient voor aanvang van het dienstverband te worden aangevraagd. 

  2. Door aanvang van het dienstverband na de datum van aanvraag, maar voor de datum van toekenning, ontstaat geen automatisch recht op een loonkostensubsidie.

  3. Op de verlening van een loonkostensubsidie is afdeling 4.2.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing.  

Artikel 14         samenloop van subsidies

Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten waarvoor, al dan niet door het dagelijks bestuur, reeds langs andere weg subsidie wordt verstrekt. 

Artikel 15         definitieve vaststelling

Het dagelijks bestuur stelt de definitieve loonkostensubsidie telkens na afloop van het kalenderjaar of na afloop van de overeengekomen periode vast op basis van de door het dagelijks bestuur te bepalen en door de werkgever aan te leveren documenten. 

Artikel 16    voorschotten

  1. Het dagelijks bestuur kan voorschotten verstrekken als aan de voorwaarden van de subsidieverstrekking is voldaan. 

  2. Voorschotten worden eerst verrekend met de definitief vastgestelde subsidie of met voorschotten over eenzelfde of een volgend kalenderjaar. Als een werkgever meerdere subsidies ontvangt, kunnen voorschotten op de ene subsidie met een definitief vastgestelde andere subsidie op grond van deze verordening worden verrekend.

 

Artikel 17    persoonsgebonden reïntegratiebudget

  1. Het dagelijks bestuur kan aan personen, behorende tot de doelgroep, een budget toekennen in• de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget, als aan de hand van onderzoek is vastgesteld dat belanghebbende op korte dan wel (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft regulier werk, en als de inzet van dit instrument is geïndiceerd.

  2. Onder een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt verstaan een subsidie ter voldoening van de noodzakelijke te maken kosten van voorzieningen die zijn gericht op arbeidsinschakeling.

  3. Het dagelijks bestuur kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels stellen. 

Artikel 18        afstemming en terugvordering

  1. Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een traject en /of voorziening niet voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede de verplichtingen die het dagelijks bestuur aan de aangeboden voorziening heeft verbonden, dan kan het dagelijks bestuur de uitkering verlagen conform hetgeen hierover bepaald is in de Maatregelenverordening. 

  2. Het dagelijks bestuur kan tevens beslissen dat indien de belanghebbende zijn verplichtingen op grond van artikel 9 tweede en derde lid niet nakomt, zijn aanspraak op iedere traject en of voorziening vervalt. 

  3. Het dagelijks bestuur kan van een belanghebbende niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een traject en/of voorziening en die niet voldoet aan het gestelde in de verordening, de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. 

Artikel 19             inkomstenvrijlating

  1. Indien de uitkeringsgerechtigde arbeid in deeltijd aanvaardt, waarmee een inkomen wordt•verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, vindt vrijlating van inkomsten uit arbeidplaats zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van de wet.

  2. Vrijlating vindt alleen plaats indien de vrijlating, naar het oordeel van het dagelijks bestuur bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

  3. Vrijlating vindt plaats tot het maximum van het in artikel 31 tweede lid onder o van de wet•genoemde percentage respectievelijk bedrag.

Artikel 20    premies en onkostenvergoeding

  1. Het dagelijks bestuur kan aan personen een activeringspremie toekennen. 

  2. Deze premie kan worden verstrekt in de volgende gevallen: 

    1. het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, niet zijnde gesubsidieerde arbeid; 

    2. het aanvaarden van gesubsidieerde arbeid, als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 16;  

    3. het deelnemen aan sociale activering als bedoeld in artikel 13; 

    4. het met goed gevolg afronden van scholing, als bedoeld in artikel 21. 

  3. Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit ten aanzien van de verstrekking van premies nadere regels met betrekking tot:

    1. De doelgroepen en de hoogte van de premies; 

    2. de aanvraag van een premie en de besluitvorming daarover; 

    3. de voorwaarden waaronder een premie wordt verstrekt; 

    4. de weigeringsgronden voor een premie; 

    5. de verplichtingen voor de premieontvanger; 

    6. de vaststelling van de premie; 

    7. andere mogelijke uitvoeringsaspecten van deze premies. 

  4. Het dagelijks bestuur stelt nadere regels vast ten aanzien van de verstrekking van onkostenvergoedingen in verband met deelname aan een voorziening. Het kan hierbij in ieder•geval gaan om:

    1. reiskosten en 

    2. kosten voor kinderopvang. 

Artikel 21         voorzieningen gericht op nazorg

Het dagelijks bestuur kan aan ondernemingen waarbij een persoon algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 11, voorzieningen bieden gericht op nazorg. 

 

Paragraaf 5        Slotbepalingen

 

Artikel 22         onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

  1. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur. 

  2. Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van•de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van• overwegende aard leidt.

Artikel 23         citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand ISD Bollenstreek 2008. 

Artikel 24         inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na te zijn bekendgemaakt. Bij de inwerkingtreding van deze verordening komt de verordening Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand ISD Bollenstreek 2004 te vervallen. 

 

Toelichting op de reïntegratieverordening ISD Bollenstreek 2008 

 

Algemeen 

 

Inleiding 

Volgens de WWB krijgen B en W (het dagelijks bestuur) de opdracht voor de reïntegratie van bijstandsgerechtigden, nuggers en Anw-ers. De WWB draagt aan de gemeenteraad op om een verordening vast te stellen waarin het beleid van de gemeente (ISD) ten aanzien van haar reïntegratietaak wordt neergelegd. Tevens wordt hierin de aanspraak van burgers op ondersteuning bij reïntegratie geregeld. 

 

De basis voor de verordening is neergelegd in  artikel 8, eerste lid onder a en tweede lid en artikel 10 eerste en tweede lid:

 

Artikel 8 lid 1 onder a: 

De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. 

Artikel 8 lid 2: 

De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in ieder geval betrekking op de evenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, genoemde groepen, alsmede voor de verschillende doelgroepen daarbinnen, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken. 

Artikel 10 lid 1en 2: 

1.Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren. 

 

Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden welke zaken in of via de verordening geregeld moeten of kunnen worden: 

-        De aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de gemeente;

-        het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en subdoelgroepen;

-        het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken;

-        de beschikbaarheid van financiële middelen.

 

De verordening: procedureel of uitgebreid 

De WWB vraagt aan de gemeenteraad om het reïntegratiebeleid in een verordening vast te leggen.  

 

Het beleid kan op een aantal niveaus geregeld worden: 

1.        In de verordening zelf. Hiermee ligt het beleid voor langere duur vast. Het aanpassen van de verordening vergt langere tijd. Uitgangspunt kan zijn dat je een verordening vaststelt die vervolgens op hoofdlijnen een aantal jaren meekan.

2.        In beleidsregels. Het voordeel van het regelen in beleidsregels is, dat hiermee flexibeler kan worden omgegaan. Deze figuur geeft aan het dagelijks bestuur ook meer mogelijkheden in individuele gevallen af te wijken.

3.        In het beleidsplan c.q reïntegratieplan, dat ook door de raad vastgesteld wordt. Naast algemene uitgangspunten kunnen hierin ook onderwerpen aan de orde komen als het inkoop- en aanbestedingsbeleid en de afstemming met andere beleidsterreinen als onderwijs, zorg en economie.

4.        In delegatie aan het dagelijks bestuur (uitvoeringsbesluiten).

 

 

De verordening is zodanig vorm gegeven dat het beleid met name op niveaus 2, 3 en 4 vorm wordt gegeven.  

Omwille van de flexibiliteit en het beter kunnen inspelen op de ervaringen in de praktijk wordt er derhalve niet voor gekozen om het beleid neer te leggen in de verordening, maar vooral ook gebruik te maken van beleidsregels, (al dan niet neergelegd in een beleidsplan/ reïntegratieplan).  

Reïntegratie is geen statisch iets, maar wordt sterk beïnvloed door de behoeften van mensen die vallen binnen de gemeentelijke doelgroep, de economische situatie in de regio, alsmede door het voortschrijdende inzicht m.b.t efficiency van middelen en instrumenten. 

Vandaar dat deze verordening enerzijds een duidelijk raamwerk biedt waarbinnen de reïntegratie dient plaats te vinden, en anderzijds de raden de mogelijkheid biedt met het driejarenplan aan het dagelijks bestuur specifiekere richtlijnen te geven m.b.t de wijze waarop het dagelijks bestuur zijn verantwoordelijkheid uit moet oefenen. Hierdoor kunnen de raden flexibel omgaan met hun taken zonder steeds de verordening aan te hoeven passen. 

 

Relatie met andere verordeningen 

 

De WWB vraagt tevens aan de gemeenteraden een verordening vast te stellen waarin het samenstel van de rechten en plichten van de klant wordt geregeld, de zogenaamde Maatregelenverordening  

 

De Reïntegratieverordening en deze Maatregelen verordening zijn nauw met elkaar verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit zou ervoor pleiten de beide verordeningen te integreren. Echter, de ISD kan ook aan de verstrekking van bijstand verplichtingen verbinden, die geen directe relatie hebben met reïntegratie. Dit pleit ervoor om de verordeningen te scheiden, maar wel om een duidelijke verwijzing aan te brengen. 

 

In deze verordening wordt overigens niet verwezen naar de verordening op de cliëntenparticipatie omdat deze laatstbedoelde verordening immers op het hele WBB terrein van toepassing is 

Evenmin wordt verwezen naar de Algemene subsidieverordening die vele van de ISD gemeenten kennen, vanwege de onderling bestaande verschillen en het gegeven dat de in deze verordening bedoelde subsidieverstrekking geheel los staat van andere subsidieverstrekkingen.  

Vandaar dat in de verordening bepalingen ter zake zijn opgenomen over de subsidieverlening. 

 

 

 

Artikelsgewijze toelichting op de reïntegratieverordening 2008 

 

Artikel 1           begripsbepalingen

Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet Werk en Bijstand. 

 

Artikel 2           de doelgroep

In dit artikel wordt de doelgroep van het reïntegratiebeleid van de ISD benoemd. 

Niet tot de doelgroep behoren in ieder geval studenten en het kind van 16 of 17 jaar indien dat kind in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal.  

 

Artikel 3           aanspraak op ondersteuning

De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld. Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid). 

Het doel is gericht op duurzame arbeid. Vandaar dat gekozen is voor de beste in plaats van de kortste weg naar duurzame arbeid terwijl in artikel 21 het instrument van nazorg is opgenomen teneinde een terugval in de uitkering te voorkomen. 

Een succesvol reïntegratiebeleid kan aanzienlijke financiële voordelen opleveren. 

Dit is dan ook de reden geweest om in de vervallen reïntegratieverordening 2004 te kiezen voor de kortste in plaats van de beste weg naar betaald werk. 

Hierdoor kan echter wel een spanningsveld ontstaan tussen enerzijds snelle uitstroom en anderzijds duurzame uitstroom. Weliswaar kan een goede nazorg als bedoeld in artikel 21 van de verordening voorkomen dat mensen zouden terugvallen in de uitkering, in de praktijk blijkt toch dat bepaalde mensen niet in staat blijken te zijn hun werk te behouden.  

Toch zal, mede gelet op het karakter van de WWB, die immers beoogt een werkstelsel te zijn en geen uitkeringstelsel, uitgangspunt moeten zijn dat mensen zo snel mogelijk uitstromen. 

In een aantal gevallen wordt in de praktijk op dit beginsel echter een uitzondering gemaakt daar waar een snelle uitstroom niet de juiste oplossing blijkt te zijn. Met name bij personen die geen startkwalificatie hebben voor de arbeidsmarkt is de kans op herhaaldelijke terugkeer in de uitkering groot )het zogenaamde draaideurbestand). 

In de praktijk worden de volgende regels gehanteerd: 

•        Cliënten die geen belemmeringen kennen om toe te treden tot de arbeidmarkt zijn verplicht om zo snel als mogelijk algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, om vanuit de geaccepteerde arbeid door te stromen naar gewenste, c.q duurzame arbeid

•        Cliënten waarbij wel belemmeringen aanwezig zijn om uit te stromen naar de arbeidsmarkt krijgen een voorziening aangeboden die gericht is op duurzame arbeid

 

In het tweede lid wordt expliciet te koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin die criteria geformuleerd kunnen worden. 

 

Artikel 4           nuggers en Anw-ers

Ten aanzien van Nuggers en Anw-ers gelden enige beperkingen die nog verder zullen worden uitgewerkt in beleidsregels. 

In de verordening is een tweetal beperkingen expliciet neergelegd, te weten die naar leeftijd en naar inkomen. 

In de Nota naar aanleiding van het verslag van de WBB is er met zoveel woorden op gewezen dat het onder omstandigheden redelijk kan worden bevonden om van deze groep een eigen bijdrage te vragen. Deze mogelijkheid is geregeld in het derde lid. Wel ligt het voor de hand om de eigen bijdrage, als daar al gekozen voor wordt, alleen op te leggen bij hogere inkomens. 

 

Artikel 5           beperkingen

Het is de bedoeling dat de klant zoveel mogelijk gebruik maakt van toereikende voorliggende voorzieningen als de WSF en de AWBZ. 

Er zijn immers middelen voor deze voorzieningen beschikbaar.  

 

Artikel 6          criteria ontheffing arbeidsplicht

In artikel 6 beschrijft de ISD op welke wijze zij invulling geeft of gaat geven aan individueel maatwerk. Dat gebeurt door individueel maatwerk te leveren of uiteindelijk door cliënten voor wie betaald werk vooralsnog geen optie is, tijdelijk te kunnen ontheffen van de plicht tot arbeidsinschakeling. Een en ander is inmiddels uitgewerkt in beleidsregels (re-integratieplannen).  

 

Artikel 7         opdracht dagelijks bestuur

In het eerste lid is de opdracht aan het dagelijks bestuur vormgegeven analoog aan artikel 7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het dagelijks bestuur specifieke opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren. 

 

Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de ISD evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar met name in de uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt. Aan het dagelijks bestuur wordt de specifieke opdracht geven een zodanig aanbod van voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen worden. Dit is met name van belang omdat de ISD de aanspraak op een voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is. Er dient altijd een alternatief voorhanden te zijn. 

Zie in dit verband ook de toelichting op artikel 10. 

 

Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals belanghebbenden dat mogelijk het liefst zouden zien.  

Het is aan het dagelijks bestuur om zorg te dragen voor een voldoende diverse aanbod van voorzieningen, terwijl dat aanbod, zoals het derde lid bepaalt, afhankelijk is van een veelheid aan sociaal economische factoren. 

 

Het vierde lid maar ook het vijfde lid brengt het belang van een goede kinderopvang in beeld. Omdat de kinderopvang een spectaculaire groei heeft doorgemaakt, zijn de bestaande wettelijke kaders niet altijd meer toereikend om de kwaliteit van de kinderopvang te waarborgen 

Daarom is inmiddels een nieuwe wet ingevoerd: de wet Kinderopvang. Bij de uitvoering van die wet is gekozen voor een variant waarbij de ouder zoveel mogelijk zelf de kinderopvang dient te regelen. In verband hiermede is in het vierde lid dan ook bepaald dat het initiatief voor het regelen van de kinderopvang bij de belanghebbende zelf behoort te liggen. 

Bij het bevorderen van uitstroom in z'n algemeenheid speelt ook het wegnemen van andersoortige belemmeringen een belangrijke rol. Het vijfde lid geeft hiertoe aan het dagelijks bestuur een opdracht. 

Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de instrumenten schuldhulpverlening, bijzondere bijstand, de voorlichting en de contacten met de plaatselijke bedrijven maar ook aan het door de 5 participerende gemeenten gevoerde economisch beleid enz. 

 

De aan de belanghebbende toegekende voorzieningen worden zoveel mogelijk vastgelegd en geconcretiseerd in het trajectplan en/of beschikking. Het trajectplan dient mede ondertekend te worden door de belanghebbende. Aldus vindt er een duidelijke afbakening plaats van rechten en plichten.  

 

Artikel 8        reïntegratieplan

Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt WWB aan de gemeenteraad om het reïntegratiebeleid in een verordening vast te leggen. Door de ISD Bollenstreek is gekozen voor een systematiek waarbij de verordening vooral kaderstellend is, terwijl de meer specifieke inhoud van het beleid terug te vinden is in reïntegratieplannen en uitvoeringsbesluiten. 

 

Het eerste lid geeft aan dat de gemeenteraad om de drie jaar een reïntegratieplan opstelt.  

In de vervallen reïntegratieverordening 2004 was dit nog jaarlijks. De omzetting naar “om de drie jaar” is mogelijk nu er inmiddels voldoende ervaring is opgedaan met deze taak van de ISD binnen de WWB 

 

Het tweede lid geeft aan welke specifieke beleidsonderwerpen in ieder geval in het reïntegratieplan aan de orde dienen te komen. 

 

Het derde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. 

Deze verantwoording kan onderdeel uitmaken van het programmaverslag. Het programmaverslag maakt onderdeel uit van de jaarrekening, waarin door de ISD verantwoording wordt afgelegd over de beleidsuitvoering van het afgelopen kalenderjaar en dat door het dagelijks bestuur op uiterlijk 1 mei volgend op het jaar van de uitvoering ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden onder gelijktijdige toezending aan de ISD gemeenteraden. 

 

Artikel 9        verplichtingen

In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie worden enige verplichtingen hier conform de wet geformuleerd, andere worden nader gespecificeerd. 

Het spreekt dat deze verplichtingen zoveel mogelijk zullen worden opgenomen in de beschikking aan de cliënt en het trajectplan. 

Immers aan het niet nakomen van deze verplichtingen zijn voor de cliënt gevolgen verbonden zoals nader geregeld in artikel 18 van de verordening.  

 

Artikel 10        budget-en subsidieplafonds

Teneinde de financiële risico’s te beheersen kan het dagelijks bestuur een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen.  

Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de ISD bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen. 

 

De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De ISD dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken. 

 

Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het dagelijks bestuur doet in het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).  

 

Artikel 11        algemene bepalingen over voorzieningen

Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere voorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing naar andere instanties. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden de voorzieningen alleen ingezet als aan de hand van een onderzoek is gebleken dat door de inzet van die voorzieningen het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt. Gesubsidieerde arbeid wordt op grond van de WBB gezien als vorm van algemeen geaccepteerde arbeid, met dien verstande dat gesubsidieerde arbeid in beginsel geen einddoel kan zijn. Reïntegratie moet bovendien de beste weg naar arbeid zijn.    

 

De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het dagelijks bestuur, dat immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de belanghebbende belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt besloten, de inhoud van het traject besproken met de belanghebbende, waarna het trajectplan ondertekend wordt. 

 

In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. In het tweede lid bevat daarom ook geen uitputtende opsomming van voorzieningen. 

 

Het derde lid geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om aan een voorziening nadere verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt. 

Het vierde en vijfde lid geven aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen hij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij bijvoorbeeld een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. 

Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan reïntegratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie uit handen gegeven. Het verdient dan ook aanbeveling dat in het contract met het reïntegratiebedrijf wordt verklaard dat deze Reïntegratieverordening van toepassing is. 

Het zesde lid ziet op de situatie de voorziening achteraf niet toereikend en adequaat is gebleken voor het bereiken van het beoogde doel. 

Om budgettaire maar ook om andere redenen kan dan besloten worden om niet direct erna belanghebbende de volgende voorziening aan te bieden.  

Het zevende lid geeft het dagelijkse bestuur de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het dagelijks bestuur over te laten. 

 

Artikel 12        loonkostensubsidie

Het instrument loonkostensubsidies gericht op re- integratie is bekend van de werkervaringsplaatsen uit de Wiw, echter, onder de WWB zijn deze geheel vormvrij geworden. 

Dit artikel regelt de randvoorwaarden, nadere uiwerking ervan vindt plaats in beleidsregels (re-integratieplannen).  

Bij de inzet van dit instrument dient de Europese regelgeving in acht te worden genomen. 

Om gemeenten te faciliteren heeft het ministerie van SoZaWe een beleidsaanbeveling geschreven zoals opgenomen in de bijlage bij deze verordening. Een expliciete verwijzing naar de beleidsaanbeveling over deze wetgeving dient opgenomen te zijn in de reïntegratieverordening. Hiermee is voldaan aan de Europese eisen. 

 

Artikel 13          de aanvraag

De subsidieverlening vindt plaats op basis van een toekenningsbesluit, zoals bedoeld in artikel 4.29 en volgende van de Algemene Wet bestuursrecht. 

Daar de werkgever de subsidie dient aan te vragen is voorlichting aan die werkgevers van belang. 

 

Artikel 14          samenloop van subsidies

Ongewenste samenloop van subsidies moet worden voorkomen. Voor een deel is daarin al voorzien doordat alleen voor kosten (en voor zover die er zijn) subsidie kan worden verleend. 

Toch is nog eens uitdrukkelijk opgenomen dat een loonkostensubsidie alleen mogelijk is voor de loonkosten. Of voor dat deel van de loonkosten, waar niet al een andere subsidie voor wordt ontvangen. Dat hoeft niet een subsidie te zijn die alleen voor de loonkosten bedoeld is. Het kan ook om een meer algemene subsidie gaan, waarvan is vastgesteld dat die ook voor de loonkosten bestemd is. 

 

Artikel 15          definitieve vaststelling        

Het definitieve recht op subsidie wordt vastgesteld na afloop van ieder kalenderjaar. Als er meer dan één gesubsidieerde arbeidsplaats is, wordt op dat moment tevens het totaal aan subsidies voor die arbeidsplaatsen vastgesteld. Definitieve vaststelling per kalenderjaar sluit ook goed aan bij het moment van salarisveranderingen en fiscale veranderingen en bij het moment waarop definitieve opgave van loonkosten moet worden gedaan ten behoeve van ander regelingen. 

 

Artikel 16            voorschotten

Voorschotverlening is mogelijk gemaakt omdat de subsidie eenmaal per jaar definitief wordt vastgesteld, en de bedrijfsvoering van werkgevers niet altijd toelaat dat de loonkosten worden betaald zonder dat daar de inkomsten uit de loonkostensubsidie tegenover staat. Als is vastgesteld dat aan de voorwaarden van subsidiering is voldaan, kunnen periodiek voorschotten worden verstrekt ter hoogte van een voorlopige schatting van het uiteindelijk toe te kennen subsidiebedrag ten behoeve van de aanwezige gesubsidieerde arbeidsplaatsen over de periode waar het voorschot betrekking heeft. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie vindt verrekening van de verstrekte voorschotten plaats. Het verschil dat resteert wordt uitbetaald als het positief is, of verrekend met de bevoorschotting van het volgende kalenderjaar als het negatief is. Als verrekening niet mogelijk is, worden te veel verstrekte voorschotten teruggevorderd. 

 

Artikel 17          persoonsgebonden re-integratiebudget

Het persoonsgebonden reïntegratiebudget (PRB) was tot op heden niet met zoveel woorden geregeld in de verordening. 

Het betreft hier een relatief nieuw instrument. Slechts een beperkt aantal gemeenten heeft in het kader van de Wet Reïntegratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) ervaring kunnen opdoen met dit instrument. Onder de WWB hebben gemeenten de volledige vrijheid gekregen om elk denkbaar instrument in te zetten. Gemeenten kunnen er dus voor kiezen het PRB als voorziening aan te bieden.  

Het vorige kabinet heeft overigens afgezien van een landelijke regeling voor PRB gelet op tegenvallende resultaten bij een aantal experimenten. 

Ondanks dit past opname in de verordening van deze mogelijkheid wel bij de visie van de ISD in het kader van klantgerichtheid, eigen verantwoordelijkheid en maatschappelijke participatie. 

De praktijk zal moet leren of en zo ja in hoeverre dit instrument zal worden toegepast. 

 

 

Artikel 18          afstemming en terugvordering

Dit artikel biedt in het eerste lid de verbinding met de Maatregelenverordening. Deze verordening regelt het verlagen van de uitkering met een bepaald percentage indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Echter, voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in gesubsidieerde arbeid kan het dagelijks bestuur de uitkering niet verlagen. Daarom is in het derde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen het dagelijks bestuur (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan vorderen. 

Het tweede lid regelt de mogelijkheid om de belanghebbende van ieder traject en /of voorziening uit te sluiten. Het spreekt dat daarbij moet vaststaan dat belanghebbende daadwerkelijk onwillig is. 

 

Artikel 19                 inkomstenvrijlating

Met het amendement Bruls is het mogelijk gemaakt de inkomsten van uitkeringsgerechtigden die werken in deeltijd voor een deel en tijdelijk voor 6 maanden vrij te laten. De vrijlating bedraagt maximaal 25% van de inkomsten per maand, met een maximum van €163 (norm januari 2004). Het maximale percentage en het maximale bedrag impliceren, dat ook uitgegaan mag worden van lagere bedragen. Hier is gekozen voor een maximale vrijlating en het maximale bedrag. De vrijlating dient ten dienst te staan van de arbeidsinschakeling. 

 

Artikel 20                  premies en onkostenvergoeding

In de WWB is geregeld in art. 31 lid 2 sub j dat jaarlijks een activeringspremie van maximaal € 1944 kan worden verstrekt (norm januari 2004) Deze premie is onbelast, en telt dus ook niet mee bij de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. Dit is alleen het geval als in datzelfde jaar geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk is verstrekt. 

De WWB regelt in art. 31 lid 2 sub k de maximale onkostenvergoedingen bij het verrichten van vrijwilligerswerk (€ 20 per week, met een maximum van € 720 per jaar, norm januari 2004). Ook deze zijn onbelast en werken niet door bij inkomensafhankelijke regelingen.  

 

In deze verordening is ervoor gekozen het verstrekken van premies en onkostenvergoedingen in algemene zin te regelen: de criteria en de doelgroepen kunnen worden omschreven in het beleidsregels, al dan niet gekoppeld aan de bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen. Het dagelijks bestuur kan zijn premiebeleid afstemmen op de verschillende activiteiten die in het kader van activering verricht worden en daarbij de hoogte van de premie laten variëren. Het dagelijks bestuur kan ook besluiten bepaalde activiteiten in het geheel niet te premieren. Tenslotte kan het dagelijks bestuur de premie afhankelijk maken van doelgroepen, zoals arbeidsgehandicapten, ouderen, jongeren, afstand tot de arbeidsmarkt etc.Tenslotte kan het dagelijks bestuur nadere regels stellen omtrent onkostenvergoedingen. Dit ter stimulering van de arbeidsinschakeling. 

Thans is een en ander ter nadere uitwerking neergelegd in meergenoemde re-integratieplannen. 

 

Artikel 21                  voorzieningen gericht op nazorg

Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat klanten na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid maakt begeleiding en advisering normaalgesproken al onderdeel uit van het traject. 

 

Artikel 22                  onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. 

 

Artikel 23                  citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. 

 

Artikel 24                  inwerkingtreding

Bij de termijn van inwerkingtreding houdt deze verordening niet langer rekening met de vervallen bepalingen uit de tijdelijke referendumwet. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van reïntegratie werkzoekenden 

 

Doelstelling van deze beleidsaanbeveling 

Deze beleidsaanbeveling kan gemeenten ontlasten van de administratieve verplichting – 

welke voortvloeit uit de regelgeving van de Europese Gemeenschap – om een samenvatting van de (loonkosten-) subsidieregeling (zoals vastgelegd in haar reïntegratieverordening) op te sturen naar de Europese Commissie en jaarlijks de Europese Commissie een verslag te verstrekken. De gemeente dient daartoe in haar reïntegratieverordening deze beleidsaanbeveling te incorporeren en een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling op te nemen. 

Algemeen: de kwalificatie van gesubsidieerde arbeid als staatssteun 

Van verboden staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG is sprake, indien is voldaan aan de volgende omschrijving: een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijk handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Voorbeelden van steunmaatregelen zijn het verlenen van financiële voordelen door middel van bijvoorbeeld subsidies aan bepaalde sectoren (sectorale steunmaatregel) of aan ondernemingen in bepaalde regio’s (regionale steunmaatregel). Zodra aan bepaalde ondernemingen met staatsmiddelen een voordeel wordt verschaft, is het ter beoordeling van de Commissie of ten gevolge van de vervalsing van de mededinging, het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Daartoe strekt de aanmelding van voorgenomen steunmaatregelen (artikel 88 lid 3 EG); alleen indien een vrijstellingsverordening toepasselijk is, is aanmelding niet noodzakelijk. 

Gesubsidieerde arbeid (meer in het algemeen: loonkostensubsidie) kan, indien er sprake is van een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde ondernemingen, aangemerkt worden als een aanmeldingsplichtige steunmaatregel. Hiervan is echter in ieder geval geen sprake indien: 

er sprake is van een generieke subsidieregeling die in zijn uitwerking non-discriminatoir is voor alle ondernemingen, in alle sectoren van de economie in heel Nederland; of 

de subsidieontvanger geen economische activiteit uitvoert. 

 

De Europese regels inzake staatssteun in relatie tot. de gemeentelijke reïntegratieverordening 

Gemeenten kunnen met tal van subsidieregelingen de reïntegratie van werkzoekenden bevorderen: voor de beoordeling in hoeverre er daarbij sprake kan zijn van staatssteun is het volgende onderscheid van belang: 

 

A: subsidieregelingen die direct de werknemer subsidiëren 

Te denken valt daarbij ondermeer aan stimuleringspremies aan werkzoekenden bij het aanvaarden van een betrekking. De premie dient direct te worden betaald aan de werknemer. In dat geval is er geen staatssteun volgens het Verdrag; gemeenten hoeven niet aan te melden en hoeven geen goedkeuring te vragen aan de Europese Commissie. 

B: generieke regelingen (maatregelen die voor alle bedrijven gelden in alle sectoren). Een lokale subsidieregeling kan een generieke regeling zijn wanneer ieder bedrijf of onderneming, ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op subsidie wanneer deze onderneming een uitkeringsgerechtigde van de betreffende gemeente in dienst neemt. Dit is ook geen staatssteun, want hier profiteren geen specifieke bedrijven of sectoren van. 

NB: Wanneer bijvoorbeeld andere dan lokale ondernemers van de subsidiëring zijn uitgesloten, of wanneer de subsidiemogelijkheid is voorbehouden aan een bepaalde onderneming of sector dan geldt de subsidieregeling per definitie als specifieke steunmaatregel en is er dus sprake van staatssteun. 

C: subsidieregelingen die organisaties subsidiëren die geen economische activiteiten verrichten 

Voorzover gemeenten (loonkosten-) subsidies verstrekken aan organisaties die geen economische activiteiten verrichten, worden deze niet aangemerkt als staatssteun. 

 

D: overige werkgelegenheidsmaatregelen: 

Gemeenten doen er verstandig aan er op te letten dat (loonkosten-) subsidies die wel als 

staatssteun zouden kunnen worden aangemerkt voldoen aan de bepalingen van de (EG) 

vrijstellingsverordeningen – in het bijzonder de Verordening werkgelegenheidssteun. Het is bovendien van belang dat de gemeente in haar reïntegratieverordening een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opneemt. Dit voorkomt dat de gemeente een samenvatting van de subsidieregeling (zoals vastgelegd in haar reïntegratieverordening) dient op te sturen naar de Europese Commissie en de Commissie jaarlijks dient te informeren over de toepassing van de Verordening werkgelegenheidssteun. Indien de gemeentelijke reïntegratieverordening niet voldoet aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun, kan worden nagegaan of de Verordening de minimissteun van toepassing is. Als deze evenmin van toepassing is, dient – afhankelijk van de situatie – de subsidieregeling dan wel de individuele (loonkosten-) subsidie door de gemeente te worden aangemeld bij de Europese Commissie[. 

De belangrijkste voorwaarden waar de gemeentelijke subsidieregeling vanuit de Verordening werkgelegenheidssteun aan dient te voldoen zijn: 

 

a. doelgroepen en steunintensiteit 

Voorzover de subsidieverlening betrekking heeft op loonkosten in verband met de indienstneming van benadeelde[of gehandicapte werknemers gelden de volgende 

plafonds (bruto steunintensiteiten): 50 procent (voor benadeelde werknemers) en 60 

procent van de loonkosten (voor gehandicapte werknemers). 

Voor beide genoemde groepen (benadeelde en gehandicapte werknemers) is het 

overigens eveneens toegestaan om niet een forfaitair percentage van de loonkosten 

te hanteren maar de optelsom van de kosten van compensatie van de eventueel 

lagere productiviteit en de kosten van begeleiding, werkplekaanpassingen en 

apparatuur (dit laatste geldt specifiek alleen voor gehandicapte werknemers). Voorwaarde is daarbij wel dat er een individueel dossier wordt bijgehouden waarin alle 

informatie wordt opgenomen die het voor de Europese Commissie desgewenst mogelijk maakt om te beoordelen of aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteunis voldaan. 

 

b. duur van het arbeidscontract: 

Behalve in het geval van gewettigd ontslag, moet(en) de werknemer(s) aanspraak 

kunnen maken op een ononderbroken tewerkstelling van tenminste 12 maanden. 

 

c. geen verdringing van bestaande werkgelegenheid: 

Wanneer de indienstneming niet leidt tot een netto-toename van het aantal werknemers 

in de betrokken vestiging, moeten de vacatures zijn ontstaan ten gevolge van 

ontslag of vermindering van werktijd, beide op initiatief van de werknemer, ouderdomspensionering of gewettigd ontslag en niet door afvloeiingen. 

Als de overheidsbijdrage als staatssteun moet worden aangemerkt en de gemeente in de reïntegratieverordening een verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opneemt en bij de vaststelling van de subsidie de bepalingen van de (EG) Verordening werkgelegenheidssteun in acht neemt, dan hoeft zij geen samenvatting van de lokale subsidieregeling toe te zenden aan de Europese Commissie. De gemeente kan dan zonder verdere actie richting Europese Commissie de loonkostensubsidieregeling uitvoeren en heeft uitsluitend te maken met de verplichting tot levering van enkele gegevens aan het ministerie van SZW. 

 

Het verslag over de Uitvoering (art. 77 WWB) en de bestaande statistieken voorzien in informatie over aantallen plaatsingen en het totaalbedrag van de verleende subsidie. In geval van een bij de Commissie ingediende klacht tegen een door de gemeente verstrekte subsidie kan de gemeente overigens wel gehouden zijn de voor de beoordeling van die klacht relevante gegevens ter beschikking te stellen van de Europese Commissie. Wanneer de gemeente anders dan op grond van de lokale subsidieregeling die als zodanig voldoet aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun en anders dan op grond van de Verordening de minimissteun, subsidie wil verlenen aan een individuele onderneming dan dient zij deze maatregel ter goedkeuring voor te leggen aan de EC. Zolang de Commissie de vereiste goedkeuring niet heeft verleend mag geen subsidie worden verleend. 

 

 Algemene toelichting

 

Algemeen 

De verplichting tot naleving van de bepalingen van het EG-verdrag betreffende staatssteun berust bij de lidstaat Nederland. Deze bepalingen behelzen vooral de in artikel 88, lid 3, EG vermelde verplichtingen: het tijdig aanmelden van voorgenomen steunmaatregelen en het zogenaamde stand-still beginsel, dat wil zeggen dat de voorgenomen maatregelen niet mogen worden uitgevoerd voordat de Commissie een eindbeslissing heeft gegeven. De lidstaat Nederland omvat alle overheden: centrale overheid, decentrale overheden, ZBO’s en PBO’s. 

Deze overheden hebben dus zelf de uitsluitende verantwoordelijkheid voor de aanmeldingen die onder de hun toebedeelde huishouding vallen, zowel qua tijdigheid als qua inhoud, evenals voor het eventueel beantwoorden van vragen van de Europese Commissie in verband met aanmeldingen. 

Deze beleidsaanbeveling is bedoeld om de gemeenten te ontlasten van de administratieve verplichtingen welke voortvloeien uit de regelgeving van de Europese Gemeenschap. De gemeente dient daartoe deze beleidsaanbeveling in haar reïntegratieverordening te incorporeren en een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling op te nemen. Deze beleidsaanbeveling ontneemt gemeenten overigens niet de mogelijkheid om een subsidieregeling te notificeren; bijvoorbeeld wanneer de gemeente zeker wil zijn van goedkeuring door de Europese Commissie. 

 

De Verordening de minimissteun 

Naast de Verordening Werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) bestaat er de Verordening de minimissteun (Verordening (EG) Nr. 69/2001). Deze verordening legt vast dat de totale steun die ondernemingen gedurende een periode van drie jaar ontvangen niet hoger mag zijn dan een vastgesteld plafondbedrag (€ 100.000,-- in een periode van drie jaar – dit is een verschuivende termijn). In de subsidiebeschikking moet een verwijzing naar de Verordening de minimissteun worden opgenomen en de werkgever moet een verklaring tekenen dat de ontvangen steun er niet toe leidt dat de totale ontvangen steun (gecumuleerd) het drempelbedrag te boven gaat. Voor de toepassing van de Verordening de minimissteun hoeft de gemeente geen verordening vast te stellen. 

Als de subsidieregeling en de op grond hiervan getroffen individuele subsidies – dan wel de individuele subsidies zonder grondslag in een subsidieregeling – voldoen aan de voorwaarden van deze verordening, kan de gemeente volstaan met het bijhouden en bewaren van dossiers. 

 

Dossiervorming 

Om een zorgvuldige behandeling van eventuele klachten van derden mogelijk te maken, 

dient de gemeente de gegevens met betrekking tot de subsidieverlening gedurende een 

periode van 10 jaar (gerekend vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening) te bewaren, zodanig dat in de klachtenprocedure kan worden nagegaan of aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun is voldaan. 

 

 

 

De EC geeft geen limitatieve opsomming van deze organisaties die geen economische activiteiten 

verrichten. Het onderscheid tussen economische en niet-economische activiteiten verandert voortdurend, zo stelt de Commissie. Voorbeelden liggen vooral op het terrein van activiteiten die “typische overheidstaken zijn, namelijk diensten als nationaal onderwijs, stelsels van sociale zekerheid en tal van activiteiten die worden uitgevoerd door organisaties die grotendeels een sociale functie vervullen en niet deelnemen aan industriële of commerciële activiteiten” (Groenboek over Diensten van Algemeen Belang, Europese Commissie, 21 mei 2003, blz. 16). 

 

Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002, Pb EG 2002, L 337/3. 

 

De Verordening de minimissteun (Verordening (EG) Nr. 69/2001) legt vast dat de totale steun die 

een onderneming gedurende een periode van drie jaar ontvangt niet hoger mag zijn dan een vastgesteld plafondbedrag (€ 100.000,-- in een periode van drie jaar – dit is een verschuivende termijn). Voor de toepassing van de Verordening de minimissteun hoeft de gemeente geen verordening vast te stellen. 

 

Op grond van de vrijstellingsverordeningen (de Verordening werkgelegenheidssteun (2204/2002) en 

de Verordening de minimissteun (69/2001)) kunnen gemeenten zelfstandig beoordelen of aanmelding 

noodzakelijk is. Bij twijfel kunnen gemeenten contact opnemen met het Coördinatiepunt staatssteun 

van het ministerie van BZK of met het Kenniscentrum Europa decentraal (www.europadecentraal.nl). 

 

Benadeelde werknemers zijn personen die behoren tot categorieën werknemers welke het moeilijk 

hebben om zonder hulp tot de arbeidsmarkt toe te treden. Art. 2 van de Verordening werkgelegenheidssteun geeft een opsomming. Tot deze categorie behoren ondermeer langdurig werklozen (12 maanden; voor jongeren onder 25 jaar 6 maanden), etnische minderheden, personen zonder startkwalificatie, alleenstaande ouders. 

 

Bedoeld wordt het brutoloon, vóór belasting, en de verplichte socialezekerheidsbijdragen. De percentages zijn gedefinieerd in termen van loonkosten op jaarbasis. Voor andere dan benadeelde of 

gehandicapte werknemers gelden lagere plafonds: afhankelijk van de regio en de omvang van het 

bedrijf variërend van 7½ procent tot 30 procent. 

 

Volgens artikel 8 van de Verordening werkgelegenheidssteun mag steun die verleend wordt aan benadeelde of gehandicapte werknemers (conform de artikelen 5 en 6) gecumuleerd worden me andere staatssteun in de zin van art. 87, lid 1, van het Verdrag of met andere bijdragen van de Gemeenschap, mits de (gecumuleerde) steunintensiteit niet meer bedraagt dan 100 procent van de loonkosten gedurende de gehele periode dat de werknemer in dienst is.  

 

Artikel 10 van de Verordening werkgelegenheidssteun. Voorwaarde is ook hier dat de steunintensiteit niet meer bedraagt dan 100 procent. 

 

Gemeenten zijn op grond van de (EG) Verordening werkgelegenheidssteun wel verplicht om gegevens met betrekking tot subsidieverstrekkingen in het kader van de gemeentelijke reïntegratieverordening gedurende een periode van 10 jaar (gerekend vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening) te bewaren, zodanig dat kan worden nagegaan of aan de voorwaarden van de Verordening werkgelegenheidssteun is voldaan. 

 

Zie in dat verband overweging 7 (EG) Verordening werkgelegenheidssteun 2204/2002. Voor de 

wijze waarop aangemeld dient te worden zij verwezen naar het Coördinatiepunt Staatssteun van het 

ministerie van BZK of naar het al genoemde Kenniscentrum Europa decentraal. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

hting 

publicatie 16072008

publicatie 16072008 (PDF)
Omschrijving:
Publicatie De Zeekant