Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u de complete tekst van de verordeningen en beleidsregels van de gemeente Noordwijk. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Bekendmaking vindt plaats op overheid.nl

  

Toeslagenverordening (voorheen: Bijstandsverordening WWB)

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Noordwijk
Officiële naam regeling Toeslagenverordening WWB ISD Bollenstreek 2010
Citeertitel Toeslagenverordening WWB ISD Bollenstreek 2010
Vastgesteld door gemeenteraad
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld)
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 04-11-2010
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling 01-07-2010
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 29-09-2010
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling De Zeekant, 03-11-2010
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet Werk en Bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c en art. 30
  2. Gemeenschappelijke Regeling ISD Bollenstreek

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
04-11-2010 01-07-2010 nieuwe regeling 29-09-2010
De Zeekant, 03-11-2010
Onbekend.
01-01-2008 01-07-2010 nieuwe regeling 18-12-2007
De Zeekant, 22-12-2007
Onbekend.

 

 

 

 

 

 

Besluit van de raad van de gemeente Noordwijk van 29 september 2010 (De Zeekant van 13 oktober) 

 

 

De raad van de gemeente Noordwijk;  

 

Gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid van de Gemeentewet, artikel 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand en de gemeenschappelijke regeling van de ISD Bollenstreek, 

 

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek d.d. 

 

Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen; 

 

BESLUIT  

 

Vast te stellen de navolgende:  

 

Toeslagenverordening WWB ISD Bollenstreek 2010 

 

HOOFDSTUK 1        ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1        Begripsomschrijving

 

  1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. 

  2. In deze verordening wordt verstaan onder: 

    1. de wet: de Wet werk en bijstand 

    2. gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de wet 

    3. woning:  een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet o de huurtoeslag, alsmede een woonwagen  of een woonschip.

    4. woonkosten: 

      1. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs als bedoeld  in de Wet op de huurtoeslag.

      2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten wordt verstaan: rioolrechten, het eigenaresaandeel van de onroerende zaak belasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en het eigenaresaandeel van de waterschapslasten. 

    5. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen (ISD Bollenstreek). 

 

 

Artikel 2        Algemene bepalingen

 

  1. De bepalingen in deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen in deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn. 

  2. De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet. 

 

 

HOOFDSTUK 2        CRITERIA VOOR HET OPLEGGEN VAN TOESLAGEN EN HET VERLAGEN VAN DE NORM

 

Artikel 3        Alleenstaanden en alleenstaande ouders

 

  1. De norm van de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van de woonkosten met een ander. 

  2. De toeslag als bedoeld in het eerste lid  bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning.

  3. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.  

 

 

Artikel 4        Gehuwden

 

  1. De norm van gehuwden wordt lager vastgesteld voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan hebben dan waarin hun norm, voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de woonkosten met een ander. 

  2. De verlaging bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. 

 

 

Artikel 5         Geen woonkosten

 

  1. De norm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van de bewoning van een woning waaraan voor die alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde geen woonkosten zijn verbonden. 

  2. De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt: 

    1. 10% van de gehuwdennormindien belanghebbende  een (anti-)krakerswoning bewoont;

    2. 20% van de gehuwdennorm indien de belanghebbende geen woonkosten is verschuldigd. 

 

Artikel 6        Schoolverlaters

 

  1. De norm of toeslag wordt lager vastgesteld voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde die recent de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding heeft beëindigd: 

    1. indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.,  

    2. Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid is sprake zolang nog geen periode van een half jaar is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging. 

    3. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de gehuwdennorm. 

Artikel 7        Cumulatie

 

De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de norm voor belanghebbende tenminste bedraagt: 

  1. 50% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande; 

  2. 70% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder; 

  3. 80% van de gehuwdennorm voor gehuwden. 

Artikel 8        Uitvoering

 

Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 7. 

 

 

 

HOOFDSTUK 4        SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 9        Omschrijving

 

Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB ISD Bollenstreek 2010. 

 

Artikel 10        Inwerkingtreding

 

  1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. 

  2. Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de ‘Bijstandsverordening WWB ISD Bollenstreek ingetrokken. 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 september 

 

H.H.M. Groen        , voorzitter                                        H.C.A. Kolen        , griffier

 

TOELICHTING OP DE TOESLAGENVERORDENING WWB ISD BOLLENSTREEK 2010

 

ALGEMEEN 

 

1. Norm, toeslag en verlaging 

De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. In de WWB maakt het voor de financiering door het Rijk geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als toeslag. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 t/m 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 t/m 29 WWB. Het dagelijks bestuur is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden. 

 

Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en is ook deze Toeslagenverordening WWB gewijzigd. Jongeren tot 27 jaar vallen niet langer onder deze verordening. 

 

Norm 

Voor personen van 27 jaar t/m  65 jaar bestaan er drie basisnormen (artikel 21 WWB), te weten:

1.        gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm);

2.        alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;

3.        alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm.

 

Toeslagen 

Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor: 

•        alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm;

•        alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm.

 

De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol spelen. Het dagelijks bestuur is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en 53.) 

 

Verlagingen 

De WWB noemt de volgende verlagingen: 

•        verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB);

•        verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);

•        verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 WWB);

De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 t/m 6 van de verordening. 

 

 

 

2. De Toeslagenverordening 

In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening moet vaststellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het dagelijks bestuur voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het dagelijks bestuur het beleid kan uitvoeren. 

 

Categorieën 

Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering. Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het dagelijks bestuur immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 7 van de Toeslagenverordening wordt daarentegen het effect van samenloop van verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven waaraan de bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen. 

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

Artikel 1        Begripsomschrijving

 

Lid 1: 

Om te voorkomen dat de betekenis van de begrippen van de WWB en de Verordening uiteen lopen wordt in de Verordening een algemene verwijzing naar de begrippen in de WWB en de Awb opgenomen. Waar genoemde wetten geen begripsomschrijving geven, geeft de Verordening deze. 

 

Lid 2:  

De begrippen die niet zijn omschreven in de WWB of Awb, of die verduidelijkt moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven. 

 

b.        gehuwdennorm: het begrip ‘gehuwdennorm’ is omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WWB, inclusief toeslagen en verlagingen, voor uitkeringsgerechtigde 27 tot 65 -jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met een verwijzing naar artikel 21 sub c WWB, waarin de hoogte van deze norm is gegeven. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.

c.        woning: het in de verordening vastgelegde beleid ten aanzien van toeslagen en verlagingen heeft mede betrekking op bewoners van een woonwagen en een woonschip.

d.        woonkosten: voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij de huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Daarmee wordt bedoeld de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning. Voor woonkosten van een eigen woning wordt rekening gehouden met de te betalen netto hypotheekrente (de fiscaal aftrekbare hypotheekrente is hierop dus in mindering gebracht) en de zakelijke lasten die aan het hebben van een eigen woning verbonden zijn (forfaitair kan hiervoor ƒ 175,00 (€ 79,41)  worden aangehouden). Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor (dat deel van) de hypotheek die is afgesloten voor de financiering van de woning. Rente verbonden aan (een deel van) de hypotheek, die betrekking heeft op bijvoorbeeld de financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt niet meegenomen.

 

 

Artikel 2        Algemene bepalingen

 

Lid 1: 

De verordening is – door de invoering van de WIJ – van toepassing op personen van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. Indien er sprake is van gehuwden, dan geldt deze toeslagenverordening alleen wanneer beide partners 27 jaar of ouder en jonger dan 65 jaar zijn. 

 

Is een van de echtgenoten jonger dan 27 jaar, dan geldt artikel 24 van de WWB. De WWB norm van de rechthebbende echtgenoot wordt dan omgezet naar de norm die voor hem/haar als alleenstaande (ouder) zou gelden. In artikel 32, derde lid, van de WWB staat hoe wordt omgegaan met het inkomen van de niet rechthebbende partner. Ontvangt de niet-rechthebbende echtgenoot een inkomensvoorziening volgens de Wet investeren in jongeren (WIJ), dan is voor de WIJ-gerechtigde partner in artikel 28, derde en vierde lid van de WIJ (en zie ook de algemene toelichting op de Toeslagenverordening WIJ) geregeld welke WIJ-norm van toepassing is. 

 

Lid 2:  

De in het dit lid opgenomen verplichting voor het dagelijks bestuur om – zo nodig in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand – de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt ook in situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen. 

 

Artikel 3        Alleenstaanden en alleenstaande ouders

 

Lid 1: 

Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dat niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. Uit de omschrijving van artikel 25 WWB volgt, dat ter bepaling van de hoogte van de toeslag, alle extra algemeen noodzakelijke kosten in aanmerking worden genomen, die een alleenstaande ouder, ten opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert, heeft. De wetgever heeft de uitwerking van hetgeen onder de extra algemeen noodzakelijke kosten verstaan moet worden overgelaten aan de gemeenten.  

 

De modelverordening van de Verenigde Nederlandse Gemeenten, die als leidraad heeft gediend bij het opstellen van deze verordening, geeft hiervoor als niet limitatieve opsomming: 

-        Woonkosten;

-        Kosten van verzekeringen en belastingen verbonden aan de woning;

-        Kosten van vaste lasten;

-        Contributie van abonnementen;

-        Duurzame gebruiksgoederen.

 

Wij hebben ervoor gekozen om onder de extra algemeen noodzakelijke kosten alleen (directe) woonkosten te verstaan en andere kostensoorten hieronder niet te begrijpen. Een keuze voor een enkele kostensoort maakt de uitvoering van de regeling immers relatief eenvoudiger en ook beter controleerbaar dan bij de keuze voor meerdere kostensoorten. Bij de boordeling of de belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of hij deze ook feitelijk met een ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden – redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten “kunnen worden gedeeld”. In bijvoorbeeld de situatie dat een hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste gebruikersruimte van de bijstandsmiddelen ontstaan als de hoogte van de toeslag ervan afhankelijk is of de medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. De toeslag bedraagt (in beginsel) minimaal 0% en maximaal 20% van de gehuwdennorm. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. De aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. 

 

Lid 2: 

Artikel 30, tweede lid WWB schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel 25, tweede lid, van de WWB. De maximale toeslag komt neer op 20% vande echtparennorm.De artikelen 27, 28 en 29 WWB geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Zie daarvoor lid 3 van artikel 3 en de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening. 

 

Lid 3: 

Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. 

 

Nu zijn er verschillende varianten denkbaar voor het hanteren van deze schaalvoordelen. Men zou kunnen denken aan een variant waarbij men dit schaalvoordeel per cliënt vaststelt. Het voordeel hiervan is dat er bij de bepaling van het recht en de hoogte van de toeslag wordt uitgegaan van de feitelijke situatie, het echte maatwerk. Het nadeel van deze “werkelijke kosten” variant is dat het zeer bewerkelijk is. De wijze waarop men onderling de woonlasten deelt of kan delen zal voor iedere daarvoor in aanmerking komende cliënt weer anders liggen. De prijzen die men betaalt voor onderhuur, het in kost zijn bij een ander, en de mate waarin kinderen bijdragen of kunnen bijdragen in de gezamenlijke woonlasten e.d. verschillen nu eenmaal per overeenkomst respectievelijk gezin. Dit resulteert in allerlei toeslagen, met een maximum van 20% van het netto minimumloon. Ook zal rekening dienen te worden gehouden met het aantal personen met wie men de gezamenlijke woonlasten deelt c.q. kan delen. Dit leidt tot ingewikkelde berekeningen en vergroot aldus de kans op onjuiste beslissingen. Bovendien werkt een dergelijke variant de meeste ontduikings- en afwentelingsmogelijkheden in de hand. 

 

Aangezien deze variant feitelijk onuitvoerbaar is en niet goed is te handhaven hebben wij gekozen voor een variant waarbij het maatwerk, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid op een, naar onze mening, zo evenwichtige manier tegen elkaar zijn afgewogen, met mede als doel de uitstroom te bevorderen. Deze variant houdt in dat wij de schaalvoordelen hebben bepaald op een vast percentage (te weten 10%) van het netto minimumloon. Dit betekent dat een ieder die niet alleen een woning bewoont, onder voorwaarden, dezelfde, van te voren vastgestelde, toeslag krijgt.  

 

Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de toeslag als gevolg van optredende schaalvoordelen derhalve vastgesteld op 10% van de echtparennorm. Wij hebben niet gekozen voor een vast bedrag, omdat dit het nadeel heeft dat de verordening (half)jaarlijks gewijzigd zal moeten worden. Een vast percentage ondervangt dit nadeel. 

 

Het maakt verschil in welke hoedanigheid men de woonkosten met een ander kan delen. De volgende onderverdeling kan gemaakt worden: 

-        inwonende verdienende kinderen;

-        onderverhuurders/kostgevers;

-        onderhuurders/kostgangers;

-        overige personen die de woonkosten gezamenlijk opbrengen.

 

Inwonende verdiende kinderen: 

Bij de bepaling van de hoogte van de toeslag houden wij – overeenkomstig het gewijzigde artikel 25, eerste lid, WWB en artikel 26 WWB – rekening met inwonende, niet ten laste komende kinderen, althans voorzover zij meer verdienen dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000  Hiermee wordt bereikt dat een thuisinwonend kind met betrekkelijk geringe inkomsten, geen nadelige invloed heeft op de hoogte van de toeslag.

 

Verhuurders/kostgevers: 

Het voordeel dat deze categorie heeft bij het ontvangen van de commerciële prijs is zodanig, dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de toeslag. 

 

Een andere mogelijkheid in deze is om de inkomsten geheel op grond van artikel 33, vierde lid WWB te verrekenen. In een dergelijke situatie wordt derhalve bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag geen rekening gehouden met de aanwezigheid van onderhuurders en kostgangers. Voor deze mogelijkheid hebben wij echter niet gekozen, omdat een dergelijke verrekening maar voor een deel ten laste van de toeslag mag worden gebracht; het grootste gedeelte komt ten laste van de basisnorm. Dit brengt na overheveling van het toeslagenbeleid en de daarbij behorende volledige financiële verantwoordelijkheid naar de gemeenten, hogere kosten met zich mee. 

 

Onderhuurders/kostgangers: 

Het voordeel dat deze categorie heeft bij het betalen van de commerciële prijs is dermate laag dat bij het vaststellen van de hoogte van de toeslag er vanuit wordt gegaan dat zij geen voordelen genieten. 

 

Overige personen die gezamenlijk de woonlasten opbrengen: 

Twee of meer personen die de woonkosten gezamenlijk opbrengen genieten beiden een dusdanig voordeel dat hiermede bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag rekening wordt gehouden. Wij hebben er niet voor gekozen om de hoogte van de toeslag mede te laten afhangen van het aantal personen (kinderen, onderhuurders, etc.) met wie men de woning gezamenlijk bewoont. Dit zou namelijk de uitvoering onnodig complex maken (immers men zal dan ook de hoogte van de inkomsten in ogenschouw moeten nemen) en een verslechtering van het bestaande beleid voor de belanghebbende met zich mee brengen. 

 

Artikel 18 WWB: Afstemming van de bijstand: 

Zoals vermeld ontvangt de belanghebbende een beperkte toeslag van 10% in plaats van 20% op de basisnorm indien er bijvoorbeeld sprake is van onderhuur/kostgangerschap. Voor gehuwden geldt een soortgelijke bepaling (artikel 4, lid 2). Ten einde onrechtvaardige situaties te voorkomen en te voldoen aan het aan de WWB ten grondslag liggende behoeftecriterium Is het evenwel mogelijk op grond van artikel 18 WWB in voorkomende gevallen bij extreem hoge ontvangsten uit onderhuur/kostgangerschap de basisnorm aan te passen. Een andere mogelijkheid zou zijn om in dit soort situaties over te gaan tot een  inkomstenverrekening ex artikel 33  lid 4 WWB. De Centrale Raad van Beroep heeft echter uitgemaakt dat een dergelijke inkomstenverrekening alleen is toegestaan indien en voorzover deze mogelijkheid is opgenomen in de verordening en tevens is aangegeven boven welk bedrag aan ontvangsten de inkomstenverrekening plaatsvindt.

 

Lid 4: 

De artikelen 25 en 26 van de WWB zijn onlangs gewijzigd. In de wet staat nu het uitgangspunt dat ouders met een thuiswonend meerderjarig kind met een inkomen tot maximaal het normbedrag WSF, genoemd in artikel 3.18 van de Wet Studiefinanciering 2000 (per 1-1-2010: € 604,15 per maand) hun woonkosten niet kunnen delen met dat kind. Daarbij is niet van belang wat voor soort inkomen het kind ontvangt (dit kan studiefinanciering zijn, maar ook loon, uitkering enz.). Kunnen de ouders de woonkosten ook niet met anderen delen, dan krijgen zij dus de maximale toeslag van 20% van de echtparennorm.  

 

Artikel 4        Gehuwden

 

De Algemene Bijstandswet (oud) kende vaste verlagingen op de uitkeringen in de gevallen waarin bijvoorbeeld sprake was van onderhuur, woningdeling of inwonende kinderen. De WWB heeft een ander systeem. In de WWB gaat men uit van een verlaagde norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders, waarop toeslagen mogelijk zijn. Voor belanghebbenden die bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden, is niets vastgesteld. Voor hen is de uitkering vastgesteld op 100% van het wettelijk minimumloon. Er bestaan niet langer vaste verlagingen voor het geval dat het gezin een onderhuurder, kostganger, etc. heeft inwonen. 

 

Artikel 26 WWB biedt gemeenten de mogelijkheid om de gezinsnorm te verlagen. Wij hebben ervoor gekozen gebruik te maken van deze verlagingbevoegdheid door aldus de verschillende categorieën op gelijke wijze te behandelen. Dit houdt in dat wij bij de vaststelling van de hoogte van de norm voor gehuwden zoveel mogelijk aansluiten bij de omschreven toeslagen / verlagingsystematiek betreffende alleenstaanden en alleenstaande ouders.  

 

Hetgeen hiervoor bij de toelichting onder artikel 3 lid 4 is omschreven, is van overeenkomstige toepassing op gehuwden die een inwonend, meerderjarig kind hebben. 

 

Artikel 5        Geen woonkosten

 

Leden 1 en 2 

De bijstanduitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen woonkosten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Artikel 27 WWB geeft ons hiertoe de bevoegdheid. Voorheen was in deze verordening aangegeven dat bij het ontbreken van woonlasten de norm/toeslag verlaagd wordt met 10%  Dit artikel werd altijd zo uitgelegd dat dit alleen van toepassing was op krakerswoningen, woningen derhalve waaraan objectief gezien geen woonlasten verbonden zijn. Hetzelfde geldt ook voor de zogenaamde ‘anti-krakerswoning’. Dit is een woning die (tijdelijk) wordt bewoond om te voorkomen dat deze wordt gekraakt en waarvoor de belanghebbende geen woonkosten hoeft te betalen. De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat dit artikel ook van toepassing moet worden geacht op personen die weliswaar zelf geen woonkosten hebben maar waarvoor die kosten betaald worden door een derden (bijvoorbeeld door een alimentatieplichtige ex-partner). Een beperkte verlaging van slechts 10% lijkt dan niet rechtvaardig daar in de bijstandsnorm een hogere bedrag aan woonkosten begrepen wordt geacht. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij in het geheel geen woonkosten worden betaald. Noch door de belanghebbende noch door een derde. Een belanghebbende mag bijvoorbeeld gedurende enige tijd een (gedeelte van een) woning gratis bewonen. Vandaar dat in lid 2 is bepaald dat de verlaging 20% bedraagt voorzover er geen sprake is van een (anti-)krakerswoning en de belanghebbende geen woonkosten is verschuldigd.

 

Omwille van de uitvoerbaarheid en consistentie is gekozen voor bedoeld percentage van 20%. 

De reden overigens om bij (anti-)krakerswoningen de verlaging te stellen op 10% en niet op 20% (van het netto minimumloon) is vanwege het feit dat in de regel bij (anti-)krakerswoningen andere extra kosten in de plaats komen voor het ontbreken van de hier bedoelde woonkosten. Voorzover deze extra kosten niet aanwezig worden geacht kan overigens toepassing worden gegeven aan het in artikel 18 WWB neergelegde individualiseringsbeginsel. 

 

Artikel 6        Schoolverlaters

 

Lid 1: 

Degene die recentelijk het onderwijs of een beroepsopleiding heeft beëindigd op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, ontvangt (tijdelijk) een lagere uitkering. De reden hiervoor is dat de omstandigheden en de mogelijkheden van degenen die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding hebben beëindigd gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld als dat voor hen tijdens de studieperiode op grond van de Wet studiefinanciering 2000 e.d. was gegarandeerd. Ook menen wij dat van deze verlaagde uitkering een sterke prikkel tot uitstroom zal uitgaan. 

 

In de jurisprudentie is uitgemaakt dat voor wat betreft de aanspraak op studiefinanciering het hier gaat om een subjectieve aanspraak. Het gaat er derhalve niet om dat men in het algemeen voor die opleiding studiefinanciering kan krijgen (objectieve leer) maar of de betrokken persoon zelf er voor in aanmerking had kunnen komen. Is dit laatste namelijk niet het geval dan kan men geen schoolverlater zijn in de zin van de bijstandsverordening. 

 

Lid 2: 

Lid 2 is overgenomen uit artikel 28 van de WWB. De verlaagde uitkering geldt voor een periode van 6 maanden, aansluitend op de datum waarop het onderwijs of de beroepsopleiding is beëindigd. Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van werkaanvaarding, heeft dit geen invloed op de termijn van 6 maanden. 

 

Lid 3: 

De verlaging is gesteld op 20% van de gehuwdennorm.  

Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn, de verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft 20%. Wel is denkbaar dat de periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd wordt, als beide partners na elkaar schoolverlater worden.  

Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m. medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg hebben dat de totale verlaging te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student, dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden vastgesteld.  

 

Artikel 7        Cumulatie

 

In het geval dat een belanghebbende meerdere malen in aanmerking zou komen voor een lagere of geen toeslag zou een dergelijke cumulatie er toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Vandaar dat wij een anti-cumulatie artikel hebben opgenomen. 

 

Wij hebben er voor gekozen de maximale verlaging niet meer dan 20% van de gehuwdennorm  te doen zijn.

 

Artikel 8        Uitvoering

 

Artikel 7 van de wet schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij burgemeester en wethouders.  

Ingevolge de Gemeenschappelijke Regeling ISD is de uitvoering van de wet gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek. Het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid overeenkomstig hetgeen hierover in de wet is geregeld mandateren aan ambtenaren. 

 

Artikel 9        Omschrijving

 

Geen toelichting. 

 

Artikel 10        Inwerkingtreding

 

Geen toelichting. 

 

ondertekende verordening

ondertekende verordening (PDF)
Omschrijving:

03112010 Publicatie De Zeekant

03112010 Publicatie De Zeekant (PDF)
Omschrijving: